Stilte


Gisteren noemde ik Mankes’ zelfportret onbarmhartig ‘een brokkie linnen met verf’. Dat kwam natuurlijk van Nescio (1882-1961), uit Titaantjes dat in hetzelfde jaar werd gepubliceerd als toen Mankes met die drie bomenschilderijen bezig was. Op een zekere gelijkenis tussen schilder en schrijver wordt vaak gewezen, vooral door lieden die daarbij dan heel esoterisch kijken. Maar als je die twee vergelijkt . . . nu ja, dan vergelijk je verf met woorden.

Op zijn laatste ziekbed blijkt Mankes erg kritisch op zijn eigen werk: “’t spijt me, dat ik in den tijd, toen ik er de kracht nog toe had, de helft van mijn dingen niet heb kunnen vertrappen.’ schrijft hij in een brief uit 1919. Daarna mag er niets meer tentoongesteld worden van wat hij nog in bezit heeft, óók niet door zijn vrouw als hij er niet meer zal zijn. Hij overlijdt in de nacht van 23 april 1920.

Nescio portretteert de schilder Bavink in Titaantjes: “Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde?” Over wie er model stond is men nog niet uitgepraat. ’t Is overigens onbelangrijk, want Bavink is voor alles een literaire figuur. Nescio heeft ‘m goeddeels verzonnen en wie wil weten hoe hij daarmee geworsteld heeft leze de studies van Lieneke Frerichs. Omdat ik het hier over de kunsten heb voel ik mij vrij Bavink als contrapunt op te vatten. Contrapunt van al te antiburgerlijk gedrag (Japi), van al te grote stelligheden (Hoyer), van al te veel Literatuur (Bekker), van al te veel stoïcisme (Koekebakker). Een volledig mens kan dat allemaal in zich herbergen.

Contrapunt, want net als in de schilderkunst, en de muziek, gaat het in de literatuur immers om herhaling, contrast, omkering en spiegeling, ritme, toon en klankkleur. En om harmonie, samenklank. Om stilte. Dat wat niet gezegd kan worden, niet geschilderd, de stilte tussen de woorden, tussen twee noten. Dat wat weggelaten wordt.

Het laatste schilderij van Bavink betreft een gezicht op Rhenen. Hij komt  Koekebakker ‘kalm’ vertellen dat hij het in grondstoffelijke stukken heeft gesneden: “64 gelijke, rechthoekige brokken van 15 bij 12 ½ centimeter hatti er van gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was ’t geweest.”

Helemaal aan het eind van het verhaal wordt Bavink gek. ‘Mal’ schrijft Nescio, wat iets anders is. Hij laat hem opnemen in een gesticht voor zenuwpatiënten, waar hij naar de zon zit te staren tot z’n ogen pijn doen. J.H.F. Grönloh zelf geraakte wel in een zenuwcrisis toen men hem liet weten dat er een kloof gaapte ‘tusschen hetgeen U wenscht te zeggen en hetgeen de Redactie in een tijdschrift als De Gids oirbaar acht.’  Het woord ‘God’ overal door ‘Zeus’ vervangen ging hem te ver. Maar laten we Koekebakker en de auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio.  En alledrie weer van Mankes. Het is de Heilige Viervuldigheid niet.

En die ordinaire hoedendoos waar Koekebakker volgens Bavink de zon dan maar in moet stoppen? (‘Ik wil met vrede gelaten worden. Doe’ m in een hoededoos, in een ordinaire hoededoos. Hij verdient niet beter.’ )

Het gaat gewoon niet aan dit verzonnen verhaalverloop, of andere verhalen van Nescio, te vergelijken met het meedogenloze, artistieke testament dat Mankes met de dood voor ogen aan zijn vrouw dicteert. Zijn laatste schilderij, Marmot in herfstbos, moest vernietigd worden. ‘Te materieel,’ vond Mankes.

Wie weet wat in de stilte, in de natuur, kan spreken, kent vermoedelijk ook het besef van ontoereikendheid als het erom gaat die mysterieuze grootsheid in verf, of taal, of muziek te vangen. Zeker, het gaat én bij Mankes, én bij Nescio om wat niet geschilderd of gezegd kan worden. Maar daarover zwijgen is het verstandigste wat men kan doen.

Laten we het over de natuur zelf hebben.

Eén reactie op “Stilte”

  1. Henk Dries Avatar
    Henk Dries

    Gelukkig zwijg je niet, over alles wat ons kan verrassen.

    Like

Geef een reactie op Henk Dries Reactie annuleren