
In breekbaar licht
zingt een heggenmusje
nóg breekbaarder licht

In breekbaar licht
zingt een heggenmusje
nóg breekbaarder licht

Er worden nog niet veel meer grutto’s gemeld dan aan het begin van deze week. De wind zit steeds verkeerd, misschien is het ze te koud. Bij grutto’s weet ik het niet zo uit eigen waarneming maar bij kieviten kan iedereen met het blote oog zien hoe gevoelig die vogels reageren op veranderende omstandigheden. Deze tijd zie je ze vaak in grote groepen verzamelen: als er vorst is trekken ze richting Frankrijk, je kunt ze bijna volgen als je toevallig ook die kant op moet. Je lijkt ze te horen overleggen. Stijgt de temperatuur, dan zie je ze weer achter huis in het Waterland. Van grutto’s weet ik dit alleen uit de boekjes, maar die zwerven ook makkelijk honderden kilometers.
Omdat het mij zelf te koud is om er op uit trekken grasduinde ik in studies. Wat weten we eigenlijk van gruttotaal? Daar is vorig jaar studie naar gedaan op de boerderij van Murk Nijdam, Gruttoland, in Friesland. Die studie is gepubliceerd op Birdeye (Belfín, O., Kempenaers, B. en Piersma, T. (2024), Dagelijks en seizoensgebonden gebruik van vocalisaties door nestelende zwarte grutto’s. J Avian Biol e03362. https://doi.org/10.1111/jav.03362). Je schrikt van dat proza. Als er roofdieren in de buurt zijn is dat te horen in het roepen van de grutto’s. Ze houden elkaar nauwkeurig op de hoogte, zoiets. Goh.
Wetenschap is één manier om iets van de grutto te begrijpen. Dat verzamelen van droge feiten en feitjes is ook noodzakelijk om succesvol beleid uit te kunnen zetten. Het hele Aanvalsplan Grutto steunt daarop. Maar dan moeten de bevindingen wel ‘breed gedragen’ worden. Hetgeen niet. Volksempfinden, vrees ik.
Ondanks het weerbarstige proza en de terughoudende conclusies lukt het wel in te zien welke gigantische inspanningen het de onderzoekers gekost heeft om die data te kunnen verzamelen. Hoeveel kennis er al in zit, hoeveel ongemak de onderzoekers in het veld verduurden, hoeveel liefde die mensen voor die grutto hebben. Dat lees je allemaal niet in dat verslag. En ook niet in al die andere op het oog futiele studies van die kring van ornithologen rond die volhardende hoogleraar Trekvogelecologie, Theunis Piersma. Zei die al niet dat vogels met elkaar praten?
Mismoedig word je van die lange weg. Wrevelig. Ongeduldig. Ter vertroosting zoek ik een haiku op. Verlangen kan ik wel.
Groots weerklinkt de lucht
nu er weer grutto’s roepen
boven de weiden

‘Pratende vogels’? of ‘Praten de vogels’? ‘That is the question.’ En die eenvoudige vraag blijkt net zo spannend als die of we nou moeten geloven wat een papegaai zegt.
Aan wat mensen opschrijven heb je niks. Niet veel tenminste als het gaat om begrip van het probleem of dieren kunnen praten. Zet de titel maar eens om in Cyrillisch schrift. In sierlijk Arabisch mag ook, of in glashelder Koreaans. Schrift berust gewoon op afspraken en die hebben weinig of niets van doen met de taal zelf. De titel was een aandachtstrekker, meer niet. Dit was het eerste hobbeltje. Over de waarde en duurzaamheid van menselijke afspraken komen we nog wel eens te spreken.
Talen verschillen. Hoe en waarom laat ik even terzijde. Voor nu volstaat de vaststelling dat een Rus, een Arabier en een Koreaan de dubbelzinnigheid van de titel niet zullen begrijpen. Als je snel spreekt is het verschil trouwens voor Romeins schrijvenden ook niet hoorbaar. Menselijke vertalers weten dit, Google Translate nog niet. Over AI later maar eens. Bestaat er een taal die dit mankement niet heeft, die ondubbelzinnig een of de werkelijkheid beschrijft? Nee. Je zult altijd moeten vragen hoe iemand het bedoelt. Krijgjenogmeerwoordenvaninhetmaaktnietuitwelketaal. Dit is de tweede hobbel.
Kan taal iets (zinnigs) over de werkelijkheid zeggen? Nou, het woord ‘vogel’ vliegt niet. Het verwijst hooguit naar iets met veren en voordat je er erg in hebt leuter je in het luchtledige. Wat bedoelen we precies met ‘praten’? En wat met ‘vogels’. Wat is, niet onbelangrijk, de betekenis van het woordje ‘de’? Kwestie van definities toch? Jazeker, denkconstructies, bedachte categorieën, concepten die voorkomen dat we ontredderd ten ondergaan in chaos. Als ik een koffie bestel wil ik geen motorolie geserveerd krijgen. ‘Chaos’ is trouwens ook maar een woord, handig maar het blijft behelpen. Wat zijn die concepten? En wat is dan dat denken? Kun je ook taalloos denken? De derde hobbel is de relatie tussen taal en denken. Eigenlijk is dit al meer een berg.
Hoe dan ook, taal vergemakkelijkt de communicatie. Uit mijn scholing herinner ik mij colleges die ingingen op het verschil tussen taal en communicatie. Met begrippen als ‘grammatica’ en ‘recursiviteit’ werd de scheidslijn tussen mens en dier haarscherp gemarkeerd en wij dienden ons bewust te zijn aan welke kant van de streep weons bevonden. Nog even los van die misplaatste uniciteitsclaim – de biologie heeft al die zogenaamd unieke menselijke eigenschappen al lang weggestreept, lees Frans de Waal maar: Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? – we naderen hier het ijle hooggebergte, want wat is dan bewustzijn?
’t Is duidelijk dat ik vandaag niet aan bergbeklimmen toe kom. Wat zegt die papegaai nou eigenlijk? Dit: “De mens is een vleugelloze kletskous die vandaag aan vliegen niet toekomt.”

Foto grutto: https://www.birdeyes.org/being-a-godwit/
Als ik naar het oogverblindende verenkleed van een grutto tuur, en daarna in de krant om te zien met welke wereld ik vandaag weer voort moet, kan ik het politieke armpje drukken alleen maar potsierlijk vinden. Wat een onbeholpen gestoethaspel, wat een koddige eigenwaan, wat een misplaatste pluimstrijkerij. Wat een patserig vertoon van armoe.
Iedere dag kijk ik even op Waarneming.nl om te zien of de grutto’s echt terugkomen. Dat doen ze. De website geeft zelfs in coördinaten de exacte locatie: de Biesbosch, allicht, nog wat andere plekken die ik niet zal noemen omdat het anders nog op TikTok komt, én het landje van Geijsel. Daar sturen ze zelfs van de NOS cameramensen heen dus dat is landelijk net zo bekend als de Efteling. Als je op het kaartje inzoomt kun je te weten komen op welk perceel de grutto’s precies naar regenwurmpjes lopen te grutten. In Friesland weten ze zelfs langs welke route een individueel te herkennen exemplaar, uitgerust met een geolocator of zender die 5000 kilometer heeft afgelegd. Kom er eens om als je het wilt hebben over migratie.
Waarom kiest de grutto nou uitgerekend dat stukje land? Omdat Jan Geijsel al jarenlang zijn besterdebest deed het die vogels naar de zin te maken en die grutto’s hem nu niet willen teleurstellen? Je hoeft geen hogere vogelkunde gestudeerd te hebben om een raadsel te vermoeden: een weidevogel die ruimte nodig heeft om een partner te vinden, te baltsen, kroost groot te brengen kiest daarvoor uitgerekend een stedelijk gebied dat laten we zeggen demografisch zorgelijk onder druk staat en dat omringd wordt door 24/7 voortijlend verkeer, op weg naar een bestemming die voor de grutto weinig heil voorspelt. Maar dat weet die grutto niet. Wat weet hij wel?
Wie aankomt met ‘instinct’ verruilt het raadsel voor een enigma. ‘Feitelijk hebben we geen flauw idee,’ zegt de hoogleraar Trekvogelecologie, Theunis Piersma. Wie aankomt met ‘dat is complex’ , en het daar bij laat, weet misschien van klok en klepel maar is verder gewoon lui. Of erger: onverschillig. Piersma niet. Hij bestudeert de grutto zijn hele leven al met zijn laarzen aan, ergens in de veenweiden van Friesland en leidt een stoet van studenten op aan de universiteit van Groningen. Postdocs, promovendi, ornithologen uit de hele wereld. Dat leverde de afgelopen 25 jaar boekenkasten aan waardevolle studies op. Wie een idee wil krijgen raadplege de website onder de foto. Om mee te beginnen.
‘Misschien praten ze wel met elkaar,’ opperde Piersma naar aanleiding van een bijzonder onderzoek dat hij recent deed. Hij wilde weten of gruttokuikens die in Friesland uit het ei waren gekropen, toen vliegvlug werden grootgebracht maar daarna werden losgelaten in Polen dezelfde trekroute zouden volgen als hun achtergebleven Friese broertjes en zusjes. Dat deden ze niet, ze kozen een oostelijker route en verbleven daarna ook ergens anders in Afrika. Hoe hadden ze dat geleerd? Stel een vraag en met wat geluk krijg je na heel hard werken een antwoord. En twee nieuwe vragen. Maar vermoedelijk meer dan twee.
De Amerikaanse filosoof Thomas Nagel wierp in de jaren ’70 de vraag op of wij als mensen iets kunnen weten over het bewustzijn van andere wezens: What is like to be a bat? Daar zijn filosofen nog niet uit, zelfs niet degenen die een vleermuis proberen te zijn.
Vul voor ‘vleermuis’ nou eens ‘grutto’ in en je hebt een idee waarmee Piersma bezig is.
Ik geen ornitholoog en al helemaal geen filosoof. Ik kijk ademloos naar die talloze veertjes. Die moeten allemaal op de juiste plek zitten, in de juiste volgorde, met de juiste kleur. Ik kijk met ontzag naar de verbijsterende prestatie van die trekvogel. Ben geraakt door de schoonheid van dat verenkleed. Noem het maar eerbied.

P O Ë Z I E
Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:
zo helpt poëzie
Herman de Coninck, Met een klank van hobo, 1980

Foto grutto: LC/Jan de Vries
Van wie is de grutto? Van ons natuurlijk! Dat is toch onze nationale vogel?! Dank je de koekoek. Dat kunnen ze in Senegal net zo goed zeggen want in die streken huist hij het andere halfjaar, als ze hier niet broeden. Of op IJsland, want daar broedt-ie ook. Eerdaags annexeert-ie Groenland en aan wat er dan staat te gebeuren durf ik vanmorgen niet eens te denken.
Je hoeft ook heus geen esoterische cursus onthechting te volgen om er achter te komen dat bezit de bron van veel ellende is. Waarom gaat het zo allerbelabberdst met de Kening fan ‘e Greide?
Nu niet tegenwerpen ‘slecht? Man, ze zijn dit weekend al gesignaleerd! Op het landje van Geijsel, een stuk of vijftig en er komen er nog veel meer! Dappere dodo’s in die kou. Nog even, en dan roepen ze hier weer boven de weilanden in het Waterland achter huis.’ Uit dat soort anekdotiek ontstaat geen wetenschap, vraag dat professor Piersma maar.
Ik zal nu helemaal maar niet over politiek beginnen, ik wil ook nog iets van mijn dag maken. Maar twee zaken zeuren aanhoudend. Onder mijn schedeldak relativeren mijn gedachten telkens de teloorgang van deze vogel: ‘ach, als je zaken in geologisch en evolutionair perspectief zet . . . de dino’s zijn toch ook uitgestorven en is de huidige vogel trouwens zelf geen dino?’ In mijn gemoed speelt iets anders: ik kan zo naar het roepen van de grutto verlangen. ‘Ach’, zegt mijn vrouw vanuit de keuken, ‘in de winter wil je de bosuil horen en als je dat dan is gelukt zwijmel je versjes over de merel. En nu weer de grutto. Daar bestaan cursussen voor hoor, Leren Leven Met Verlangen.’ En anders moet je maar eens bij D-reizen kijken.’ Keihard is ze.
Ja, ik verkeer in een staat van arren moede. Of is het in een staat van armoe? Of allebei tegelijk? Zelfs dat weet ik niet. Ik zoek een pleister voor mijn wonden, zelfs als die niet helpt:
De komst van de vogels
Dit voorjaar zijn de vogels weer te vroeg teruggekomen.
Verheug je, verstand, ook het instinct kan zich vergissen.
’t Zit te suffen, ziet niets – en ze vallen in de sneeuw,
komen ellendig aan hun einde, een einde niet te rijmen
met de bouw van hun keel en hun volmaakte klauwen,
hun degelijke kraakbeen en hun precieze huidplooien,
het stroomgebied van het hart, de doolhof van de darmen,
de nis van de ribben en de wervels in hun prachtige enfilade,
de veren, die een zaal in het museum van het oerambacht verdienen,
en de snavel met zijn monnikengeduld.
Dit is geen klaagzang, dit is alleen verontwaardiging
omdat een engel, van authentiek eiwit gebouwd,
een vlieger met klieren uit het Hooglied,
één in de lucht, ontelbaar in de hand,
weefsel voor weefsel als een klassiek drama
verbonden tot een eenheid van plaats en tijd
in het applaus van de vleugels – valt en naast een steen komt te liggen
die op zijn archaïsche en onbehouwen manier
het leven ziet als een reeks mislukte proeven.
Wisława Szymborska, Einde en begin. Gedichten 1957-1997 (1967)

Gistermorgen had ik de radio afgestemd op een vraaggesprek met Lieke Marsman. Ze mocht vertellen hoe het zat met haar pas verschenen boek, Op een andere planeet kunnen ze me redden. Dat boek gaat over de antwoorden die zij zoekt sinds er bij haar een ongeneeslijke kanker is gediagnosticeerd.
‘Op de radio’ kun je tegenwoordig ook bekijken. Dat voegt een dimensie toe, moeten ze bij de radio hebben gedacht. Hoe Lieke Marsman eruit ziet wist ik wel. Zelfs mét haar rechterarm en -schouder toen die er nog aan zaten. Zo’n intelligente, kritische, heldere vrouw, ‘een mooie jonge vrouw’, die ook nog begrijpelijke gedichten schrijft, die wilden ze er al vroeg in televisieprogramma’s wel bij hebben.
Ik zag de ogen van Lieke Marsman. Nee, niet erin, want ze zat niet tegenover mij, ze keek niet terug. Ik had wel vragen maar die kon ik niet stellen natuurlijk. Stomme vragen ook. En de techniek kent beperkingen. Ze vertelde niks wat in de afgelopen weken niet al in de kranten te lezen stond.
Maar die ogen. Die zien iets wat ze nog nooit hebben gezien. Het gaat haar zeer aan. Het is verontrustend maar niet per se zonder hoop. Ze twijfelt zelfs aan de twijfel of ze het op afstand wil houden.
In de inleiding op die essaybundel beschrijft ze hoe het woord ‘zin’ in de gesprekken met behandelaars opdook. Behandelaars bedoelden ‘zin’ in de zin van ‘heeft deze behandeling nog zin?’ De huidige stand der techniek, etc. Dat waagden ze te betwijfelen. Lieke Marsman bedoelde met ‘zin’ iets heel anders. En in haar ogen zag ik nog veel meer. Alleen Lieke Marsman kan in haar omstandigheden kijken als Lieke Marsman.
Toen zij nog Dichter des Vaderlands was (2021-2023) schreef zij het volgende gedicht. Ik zou het graag nog eens horen:
Ter gelegenheid van poëzie
Er was niemand jarig, er was niemand dood.
Het gedicht zelf was de reden.
Als we zeggen: de mensen lezen
geen poëzie meer, wat bedoelen we?
We bedoelen dat ze niet langer voelen.
Allemaal cursussen om iets te worden,
maar niemand doorvoelt wat hij is.
Aan het eind van een gedicht ben je niet langer verloren.
De stekels van schaamte trekken zich terug.
Het leven is een leven lang zoeken naar metaforen
als het afstellen van een autoradio
op een landweg: ruis van onbekende stemmen
in een lied dat vaag bekend voorkomt.
Dan een beller lang na middernacht:
ik zou het lied graag nog eens horen.
Lieke Marsman, NRC, 29 juni 2022

Stil uit Waarom Wettelen? Dimitri Verhulst, 2024
Er is een theorie dat het leven absurd is. Je hoeft maar om je heen te kijken om te snappen dat dat een goeie theorie is. Ik geef een hint: onlangs tekende de cartoonmaakster Jip van den Toorn een personage dat vanaf het verzopen land van onze streken met een verrekijker naar de overkant van de oceaan stond te koekeloeren. Daar stond alles in de fik, behalve een fier in de wind wapperende Stars & Stripes. Commentaar: ‘Ik geloof dat ik onze eigen rechtse gekken opeens koddige lieverds begin te vinden.’ Say no more. Vreemde ontwikkelingen, inderdaad.
Gisterenavond vermaakten wij ons met Dimitri Verhulsts filmdebuut Waarom Wettelen? (2024). De ernst des levens behoeft ook wel eens wat frisse wind, zoiets. We verbeten trouwens ook wel een traan. Dit laatste vermeld ik nadrukkelijk om de oprechtheid te demonstreren van onze inspanningen af en toe contact te houden met wat er op het vlak van de Cultuur zoal geboden wordt. Over de plot wil ik niets meer verklappen dan dat ene Christine dood is en dat de overledene een onverwacht idee heeft over waar haar laatste rustplaats moet zijn. In Wettelen, zoek het maar eens op. Daar gaat de film dus over. Waarom in Wettelen? Enjoy!
Toen ik mijzelf nog serieus nam, en les gaf om mijn burgerbestaan te kunnen bekostigen, say no more, was één van mijn favoriete onderwerpen Waiting for Godot (Samuel Beckett, 1954). Plot: twee mannen wachten op Godot. En die komt niet.
Dat riep vragen op in de klas. Wie is die Godot? Wie zijn die mannen? Waarom komt – ie niet? Ik kan me de gezichten van al die leerlingen nog scherp voor de geest halen. Dat van één vooral, die zat altijd pontificaal op de achterste bank, alleen, want ze had veel tassen: ‘Waarom moeten wij naar die onzin kijken?’ Ik zal haar naam niet noemen. Ze is nu een gerespecteerd juriste.
Enfin, en ik dan aan het uitleggen want zulks was vastgelegd in mijn arbeidsovereenkomst. Nee, dat is niet aardig. Ik had er echt lol in, en dat mij die later verging had niks met die kinderen te maken.
De Tweede Wereldoorlog haalde ik erbij, kom daar maar eens omheen. Nu, daar hadden ze al wel eens van gehoord. Van Beckett niet, terwijl die later toch een Nobelprijs had gekregen. Het Existentialisme was nieuw. Ik toverde verhelderende schema’s op het bord. De mens wordt naakt in het naakte bestaan geworpen. Dat is onherbergzaam. Er is geen zin dus die moet de mens zelf maar verzinnen. Dat lukt niet zo goed. Daarover communiceren lukt ook niet. En dan weer terug.
‘Moeten we dat weten voor de toets?’ Niks was zo gemakkelijk om het Absurdisme uit leggen aan de hand van die ene vraag. Ach, die laatste twee uren op de vrijdagmiddag in lokaal C24.
Terwijl wij naar de beelden van Waarom Wettelen? keken, kwam dit allemaal boven borrelen. Ouderdom. Ik keek naar twee films. Of nee, drie. En dan zat ik ook nog samen met mijn vrouw te kijken, die mij ondervroeg over het vraagstuk hoe het kwam dat de pindarotsjes nou al op waren. Vier.
En ik keek naar de wolken boven de velden langs de wegen waar die stoet voorbijtrok, op weg naar Wettelen. Ik hoorde de wind in de blaadjes van de bomen die daar fier stonden te wuiven. Ik hoorde de vogels

Jopie Huisman (1922-2000), Vriendschap, 1976
‘Het schilderij Vriendschap van de Friese schilder Jopie Huisman gaat naar het gebouw van de OESO in Parijs.’ Dat mocht in de krant. Het kwám in de krant, anders zou ik ’t niet weten. Daar sloeg ik op aan. Zeven blafjes en een hondenfluitje:
∞ ‘Het laatste hemd heeft geen zakken,’ zei mijn moeder vaak aan het einde van haar lange leven.

Jopie Huisman, Roodbaaien hemd, 1975

foto koolmees Bart Heirweg
De zon wint al aan kracht. In het kraakheldere februari-licht probeerde ik de warmte op het balkon te vangen. Met een jas aan lukte dat, een half uurtje. Terwijl ik daar zo zat, mijn koffie gedronken, en mijn ogen alle bomen naar vogels afspeurden, hoorde ik vooral koolmezen. Af en toe zag ik ze ook, druk in de weer van parkrand naar dakterrassen vliegend. Nu al nesteldrang? Vogels kijken doe je met je oren, ik weet het, maar altijd zijn er dan weer gedachten die de ‘innige aanraking met de natuur’ verstieren.
Dat het roepen van een koolmees erg aan een fietspomp doet denken weet iedereen. Die beeldspraak is erg aardig. Maar hoe klonk een koolmees dan laten we zeggen vóór 1900? Mijn gedachten sprongen wild twee kanten op. De ene stroom denderde via Dunlop regelrecht het ravijn in van de zegeningen van de industriële revolutie – ik weet het, Jac. P. Thijsse propageerde de fiets al als hét burgervehikel om ‘natuursport’ te bedrijven, maar wat krijg je dan, en wat vindt de koolmees van de fatbike? – de andere stroom voerde mij naar de Metaforenfabriek van Douwe Draaisma. Die beschrijft hoe we in de loop der geschiedenis de werking van ons geheugen hebben begrepen, in beelden, van wastablet tot hardware. Of software, daar wil ik van af zijn want het is al weer een tijdje geleden dat ik ’t boek las. Beeldsprakerig maakte de titel mij ook zenuwachtig.
Ik probeerde te ontkomen aan de dwingelandij van mijn gedachten. En gewoon te genieten van de februarizon. Van welke ándere vogels kende ik nog een treffende vergelijking? De roerdomp, die was makkelijk: ‘als het blazen in een diepe fles’. Dit had ik zelf bedacht, ooit, nog vóór ik die beschrijving ergens tegenkwam. Maar: ‘als het uitrinkelen van een zilvermuntje op een tafelblad’? Was dat nou de groenling? Of de boomklever? Het werd me duidelijk dat ik er niet uit kwam. En een boomklever had hier ik al in tijden niet gezien of gehoord.
Een ander houvast in de wrede dwalingen van mijn geest waren dichtregels die de vogels wat minder precies uitdrukten, maar mijn ervaren beter rechtdeed. ‘Een bal vol vogelstemmen’, die de populieren elkaar dan toewierpen. Ik keek naar de populieren voor ons huis. Dit is het gedicht:
Februarizon
Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano’s.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.
De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.
Paul Rodenko, Podium, 1950
Maar populieren kunnen niet gooien. En koolmezen zitten niet in een opgepompte voetbal. Tóch een mooi gedicht. En mooie koolmezen.