
Bij het ontbijt bespraken wij vanochtend de adviezen die we in onze zaterdagkrant hadden gelezen. Zouden de nieuwe bewindslieden die ook lezen? En zouden ze er iets aan hebben? En meer nog, zouden ze er iets mee doen?
Prachtige adviezen allemaal, daar niet van, maar we bevonden ons al snel op het punt waarop we onze kinderen van raad voorzagen toen zij de deur van het ouderlijk huis achter zich dicht trokken: altijd met twee woorden spreken, niet naar enge mensen luisteren, tel tot tien als je boos wordt, je kunt niet iedere dag ijsjes eten, let op de centjes, je mag altijd thuis komen hoor! We dreigden weg te dromen boven ons familiealbum. En hielden onze adviezen tegen het licht van wat er nu van hen geworden is. ’t Is toch anders gegaan allemaal.
En we wilden wel eens weten wat echt verstandige mensen nou van dit politieke experiment vonden. Mensen als Tjeenk Willink. Of Remkes. De ouwe koningin desnoods. Wij zaten stil.
‘Het kan wél’. Daar was het allemaal mee begonnen. Op een of andere manier vonden ze dat allemaal want anders zouden ze nu niet met elkaar op het bordes van Huis ten Bosch bij de koning in hun op maat gesneden nieuwe bewindsliedenpakjes staan te kleumen en te grimassen om toch maar eensgezind en voordelig op de foto te komen. Maar wat was ‘het’? En wie had er dan gezegd dat het niet kon? Wat bedoelden ze trouwens met ‘kunnen’? Hoe dan?
Ik vertrouwde mijn vrouw toe dat ik vanaf de verkiezingen stiekem steeds had moeten denken aan die uitspraak van die ontwikkelingspsycholoog die ooit eens uitlegde dat voor een puberbrein alles nieuw is, en de moeite waard eens aan een serieus onderzoek te onderwerpen. Een puber, zei die, onderzoekt volkomen argeloos het voorstel of – ie in dat zwembad met levende haaien zou durven springen. ‘Maar dat is geen vraagstuk, dat is een waagstuk,’ zei ik mijn vrouw.
‘Pedante Schoolmeester!’ repliceerde mijn vrouw pinnig. ‘Jij kijkt nu niet eens over de rand van je eigen schoolzwembadje uit! Het gaat hier wel om het Algemeen Belang, hè! Niet alleen voor Nu, maar ook voor de Toekomst. Niet alleen voor die ene partij maar voor Alle Mensen. Dus zeker niet alleen voor het Onderwijs. Of de Zorg. Of de Jongens en Meisjes die Ons Land gaan verdedigen.’ Ze was in hoofdletters gaan spreken maar had kennelijk wel mijn voorbeeld meteen herkend. Dat dateerde nog uit de tijd dat wij samen voor de klas stonden en iedere dag met pubers van doen hadden. We hadden dat indertijd een eyeopener gevonden. En wat was er van die kinderen geworden?
We vielen nog stiller.
Met dat algemeen belang had zij zeker een punt, overwoog ik, ’t zal toch niet zo zijn dat we een voortzetting krijgen van de verkiezingscampagnes. Wat ik de afgelopen weken op billboards naast de snelwegen in dit land heb zien boodschappen stelt mij niet gerust. De omgekeerde vlaggen waren nog niet eens overal weggehaald. Landschapsvervuiling. Ja, dat kon wél.
Juist wilde ik mijn vrouw gaan zeggen dat ik er ook een hard hoofd in heb of de adviezen van de Nationale Klimaatcommissie van deze week wel door het nieuwe kabinet ter harte zullen worden genomen toen zij mij onderbrak: ‘Ik moet nu weg hoor, je kunt voor vanavond de aardappeltjes wel opbakken. En anders red je je wel. Nou doe – hoeg!’ Ze haastte zich voor een afspraak met de kleinkinderen. ‘t Is iets met Bubble Planet, of zoiets. Ik word oud. En vraag mij wel vaker af in welke tijd ik ben beland. Maar misschien is Bubble Planet ook wel een goede voorbereiding op de toekomst.
‘Rij voorzichtig!’
Plaats een reactie