
I.
Als een baby kan zitten wordt het tijd voor de blokkendoos. Je hoeft niet eens uit te leggen wat de bedoeling is – alles gaat vanzelf. Wat een pret!
Als het niet meer vanzelf gaat, is er iets gebeurd. Niet met de blokken maar in het hoofd. Ontwikkelingspsychologen spreken van een ontwikkeling. Of zelfs van vooruitgang. Goed jôh! We zullen zien. Maar meestal komt er ruzie.
Versneld afgespeeld leidt de ontwikkeling bij de ene peuter tot een architectenopleiding. Een andere gaat verhalen vertellen. Een derde nummert alle blokjes en sorteert ze op rangorde. Een vierde ‘doet in vastgoed’. Een vijfde . . . te veel om op te noemen.
II.
Avond. De blokken worden opgeruimd. Sommige blokjes hebben geen zin meer in de doos. Ach, laat ook maar.
III.
Volgende ochtend. Oom komt langs. Of tante. Hé! Watskeburt?! Leuk gespeeld? Oom, of tante, aan het puzzelen. Als deze nou hier stond, en als je nou die daarop . . .
IV.
Er is een mooi verhaal over zo’n toren. Babel heet ‘t. Met babbelen heeft dat niks te maken, ook al zijn er mensen die beweren van wel. En ook al babbelen mensen er al millennia lustig op los. Het probleem zit niet in de blokken maar in de taal.
Dit was de beste toren! Nee deze, want deze was hoger! Maar deze was mooier!
Zie je wel, ruzie! Dat krijg je ervan als die blokken in je hoofd gaan zitten.
V.
De blokkendoos: Josephine Quinn, Het Westen; een 4000-jarige geschiedenis (Amsterdam 2025)
VI.
Ik ga nou weer spelen hoor!
VII.

Plaats een reactie