Bedaren


Albrecht Dürer, Feldhase, 1502

Ik las Een haas in huis van Chloe Dalton gistermiddag in één ruk uit maar vind het moeilijk te zeggen of dit boek gaat bijdragen aan de vergroting van ons natuurbewustzijn. Zeker, bij vlagen vond ik het ontroerend. ‘Ik heb de haas niet getemd, de haas heeft mij tot bedaren gebracht’, concludeert Dalton ergens aan het eind van haar verslag. Of is het een persoonlijke getuigenis? Hoe dan ook, met haar bevinding kan ik deemoedig instemmen en vermoedelijk zullen er wel een paar passages boven komen drijven als ik weer eens hazen in het vrije veld zie rondspringen. Maar mensen ‘met hart voor de natuur’ hoeven niet overtuigd te worden van de noodzaak van een respectvolle omgang met dieren, mensen voor wie de natuur louter gebruiksruimte is voor hun verdiengemodelleerd bedrijfsplan zullen het niet lezen. Wat blijft schrijnen is de droevige staat van onze planeet.

Mijn oordeel of ik het ook een goed boek vind schort ik liever op. Het past in een genre van natuurboeken dat een bloei lijkt mee te maken, vooral na de coronatijd. Dat was me een tijd! Toen gingen de mensen de natuur nog eens in. Of lazen ze er boeken over. De titels van Robert Macfarlane zijn niet aan te slepen, hier te lande doen de natuurstudies van Dik van der Meulen het heel behoorlijk, en ik vergeet allicht de helft. Oudere werken als Silent Spring van Rachel Carson beleven herdrukken, we weten al zo lang wat er schort. Over haar kennismaking met de leefwereld van de haas schrijft Dalton: “Elke ontdekking wees in de richting van een vergeten wereld.” En ook nog: “Het deed me beseffen dat mensen vroeger veel meer betrokken waren bij de natuur en er veel vertrouwder mee omgingen.”  Om het in een Bijbelse metafoor te verwoorden: uit wat een paradijs kon zijn hebben we ons angstwekkend ver verwijderd, mens en dier.

Haar boek past in de groeiende reeks waarin het opbouwen van een relatie met één specifiek dier centraal staat, niet zelden uit een sterk persoonlijk gevoeld gemis om iets wat ‘verloren’ is: Helen Macdonald (H is for Hawk, 2014), Catherine Raven (Fox & I; an uncommon friendship, 2021), Carl Safina (Alfie & Me, 2023) en recent Eva Meijer (Muizenleven, 2025), al is dat wat algemeen filosofischer van aard. Als ik dan ook nog de schrijvers uit de kast trek die mij persoonlijk bij de lurven hadden (vooral J.A. Baker (The Peregrine, 1967), Peter Matthiessen (The Snow Leopard, 1978, maar ook al zijn andere boeken) en Charlie Russell (Grizzly Heart, 2002) dan vraag ik mij in gemoede af hoe er ter wereld nog zoiets als bio-industrie kan bestaan. Ook de vaak tergend sentimentele reclameboodschappen van stichting DierenLot ten spijt.

Hebben we iets verloren? Ongetwijfeld. Maar gingen mensen vroeger nou werkelijk betrokkener met de natuur om, zoals Dalton veronderstelt? Dat lijkt mij erg boud gesteld.  En overigens, in welk aards paradijs zouden we dan weer kunnen helen? Moet de Hof van Eden uit de tijd van Jac. P. Thijsse hersteld worden? Of liever dat uit de middeleeuwen? De prehistorie dan? Ik hoor de propagandisten van ‘Rewilding’ al bekvechten met de lieden van park- en plantsoenbeheer.  

Die paar boeken openen misschien bij een paar mensen de ogen. Met wat geluk. En ik hoed me er wel voor anderen te dicteren hoe zij de natuur moeten beleven. ’t Is hier tenslotte Noord-Korea niet.

Misschien kijken we ooit op deze periode van een herlevende belangstelling voor mens en natuur nog eens terug zoals we nu naar een prent van Dürer kijken: zijn haas is een mijlpaal voor de schilderkunst. Maar daarna moest het in de echte natuur gebeuren. We weten hoe dat ging. Wie temt de mens?

Á propos, zouden de nieuwe ministers en staatssecretarissen aan dit soort boeken toekomen?

Plaats een reactie