Samenhang


Kanoeten op het Wad  op zoek naar schelpdieren | Foto © Jan van de Kam

In het midden van de jaren ’70 besloot een eigenzinnige bioloog onderzoek te gaan doen naar de trekroute van een vogeltje dat hij kende van de Waddenzee. Dat vogeltje was de kanoet, die onderzoeker was Theunis Piersma.

In de jaren ’90 woonde ik in mijn eentje op Wieringen. Mijn ramen keken uit op het Wad, Mijn dagelijkse wandeling ging langs de dijk van Oosterland naar het schor bij Den Oever. Daar leerde ik de kracht van de getijden kennen. En met het komen en gaan van het water de vogels. Hoe die allemaal uit elkaar te houden?! Ik leerde hoe iedere soort in dat oneindige spel van water en aarde, van lucht en licht, zout en slib een plekje onder de zon vindt.

Het was daar en toen dat het inzicht in het belang van de trekvogelecologie mij op zekere dag zonneklaar werd. Bijna schreef ik ‘geopenbaard’ maar dan verzeil ik ongewild in te etherische sferen. Ik bedoel, het eerste hoofdstuk van het boek Genesis kan er literair misschien nog wel mee door maar bij wat zich iedere dag op het Wad aan wonderen voltrekt verbleken die versregels als uitgesproken armoedig.  Om van de godsdienstige claims maar helemaal te zwijgen. Ik leerde mij verwonderen.

Wat heeft Piersma in die halve eeuw gedaan? Ik vat het maar even oneerbiedig samen: kijken. En meten en wegen. Overdenken. Om zijn bevindingen vervolgens te publiceren. Die ga ik dus niet overschrijven. Hij verzamelde mensen uit tal van landen om zich heen die door zijn geestdrift werden aangestoken. En die hij nu als hoogleraar trekvogelecologie aan de RUG begeleidt als postdoc of promovendus.

Een ietsepietsie van al zijn inzichten werd mij geopenbaard aan de Wieringse waddenkust toen ik mij voor het eerst realiseerde dat dat vogeltje dat ik had leren onderscheiden als kanoetstrandloper helemaal in Siberië broedde, in het najaar op het Wad kwam opvetten en daarna doorvloog naar de Banc d’ Arguin voor de kust van Mauritanië of nog verder. Of die andere kanoet, die hier overwintert en dan via IJsland over Groenland heen naar het broedgebied in Noordwest Canada trekt. Vlak voor mijn huis stonden vier continenten rechtstreeks met elkaar in verbinding. En dat waren nog maar twee van de zes ondersoorten. Op de kaart:

Trekroutes van de zes kanoetstrandlopers. De Aziatische ondersoort is inderdaad naar Piersma vernoemd. Maar zie vooral https://www.globalflywaynetwork.org/ en https://www.birdeyes.org/

Wie denkt dat het onderscheiden van die ondersoorten alleen iets is voor  ornithologen met een passie voor kruidenieren vergist zich. De vogels zelf interesseert het geen fluit, dat is waar, maar door die onderscheiding in ondersoorten kunnen specifieke beschermingsmaatregelen worden genomen. En afgedwongen. Is dat nodig? Ja.

Op het vlak van onze menselijke verantwoordelijkheid voor de natuurlijke leefomgeving heeft Piersma zich ook onderscheiden. Door zijn inspanningen werd de wet op mechanische kokkelvisserij in 2005 van kracht.

Maar fundamenteler nog zijn de inzichten die Piersma presenteerde met één van zijn promovendi, Thomas Oudman. In hun gezamenlijk geschreven De ontsnapping van de natuur; Een nieuwe kijk op kennis (Amsterdam 2018) laten zij op grond van hun onderzoekingen zien dat met het ontrafelen van het DNA het hele verhaal over bijvoorbeeld een kanoet nog lang niet verteld is. Ecologie (wat is waar voor wie aan eten ‘beschikbaar’ en hoe hangt dat allemaal samen?) is al een ingewikkeld verhaal, maar wat nou als dat DNA helemaal niet zo vast ligt als doorgaans wordt gesteld?

Voor wat ik nu ervan begrijp: de kanoet die ik op het wad zijn kostje bij elkaar zie scharrelen is daar omdat ik er ben. Nou ja, omdat wij er met z’n allen zijn, daar aan de Waddenkust. Want wie denkt dat – ie alleen is heeft nog veel te leren.

Plaats een reactie