De nieuwe wereld


Mainstreet Vanceburg, Kentucky, U.S.A. 2026 | foto Emily Kask

Al vanaf zaterdag 13 oktober 1492 was het duidelijk dat het een helse klus zou worden er samen iets van te maken. Er woonden al mensen. En ze moesten het maar doen met wat ze mee hadden kunnen nemen uit De Oude Wereld: zichzelf. Dat waren niet altijd de edelste van de menselijke eigenschappen. Bovendien bleken van alle ziekten die de nieuwkomers onder de leden hadden ook zijzelf tot op de dag van heden uiterst vatbaar voor de Goudkoorts. Goudkoorts tast de realiteitszin in zeer ernstige mate aan. Door het zorgmijdend gedrag dat met de aandoening gepaard gaat, kan de situatie in korte tijd verslechteren. Dat is dan niet best.

Ik stuitte op de foto in een reportage over de gevolgen van één jaar leven onder Trump. Die liet ik mijn vrouw zien. Waar alle mensen zijn, wilde ze weten. Ja dat weet ik natuurlijk ook niet. ‘Pas maar op iets lelijks over Trump te schrijven,’ zei ze. Ja dat snap ik natuurlijk ook wel. ‘Het doet me ergens aan denken,’ zei ik. ‘Wat?’ wil de mijn vrouw weten. ‘Dit,’ zei ik en ik liet haar mijn boek over Edward Hopper zien:

Edward Hopper (1882-1967), Early Sunday Summer (1930)

Mijn vrouw herkende het schilderij meteen want ik heb het haar vaak laten zien. Het doet mij altijd erg aan vroeger denken. Wat dat dan precies is kan ik niet goed zeggen. Er zat helemaal geen kapper naast ons in het rijtje. Die woonde verderop. Maar verder lijkt het precies.

‘Je gaat toch niet fabuleren over The Great Depression, mag ik hopen?’ zei ze. ‘Al dat geouwehoer over de jaren dertig’. Ze kent mijn valkuilen. ‘Vertel nog eens over dat psalmversje,’ fleemde ze. Aan haar toon hoorde ik dat ze mij wilde behoeden voor paniek aangaande alle leed in de wereld. ‘Hou het klein,’ zei ze ook nog.

Welnu. Het winkelpand van mijn ouders was het linker. Of het rechter, als men zich inbeeldt vanuit de schilderij naar de toeschouwer te kijken. Wat natuurlijk niet kan, maar met feiten kan men niet nauwkeurig genoeg zijn. In het midden bevond zich de nering van de heer Heiloo. Deze dreef handel in kantoorbenodigdheden en verzorgde ook klein drukwerk. Dáárnaast was een winkel in fournituren. Van belang is dat zijn naam Luit was.

Nu wilde het geval dat ik iedere maandagmorgen een psalmversje uit het hoofd moest kunnen opzeggen, ik zat op de School met de Bijbel. Hoe zich de geschiedenis precies ontvouwde weet ik niet meer maar meestal werd ik ’s zondags wel aan mijn psalmversje herinnerd door mijn moeder.

De herinnering voert mij terug naar de keer dat ik vergeten was welke psalm ik ’s anderendaags moest kunnen declameren. ‘Weet je nog waar het over ging?’ wilde mijn moeder weten. Zij kende alle psalmen uit haar hoofd. Ik aan het prakkeseren. ‘Luit’ kwam er in voor, dat wist ik nog stellig. ‘Luit? De buurman?’ Weet je het zeker?’ Ja, ik wist het zeker. Mijn moeder vulde toen in ‘en met snarenspel?’ Ik verder prakkeseren. ‘Ja, en Heiloo ook!’ Mijn wereld was toen nog overzichtelijk.

Of mijn moeder toen op psalm 108 uitkwam weet ik echt niet meer. ’t Kan ook zijn dat ik die maandag gewoon de beurt niet kreeg. Van schaamte het versje niet op te kunnen zeggen heugt mij in elk geval niets. Wel van die  zondagse stilte in de straat, die slechts gevuld mocht worden met het WOORD des HEEREN. Ik schrijf het als vanzelf in kapitalen. Dat drukte toentertijd eerbied voor gewijde ontvankelijkheid uit.

Vanmorgen lukt het mij zomaar met de hulp van Googles AI-modus de tekst te vinden:

“Mijn hart, o God, is tot Uw eer / Bereid, om U te loven; / ‘k Zal zingen, ja, mijn eer, o Heer, / Door psalmen U verhogen. / Waak op, gij harp en luit; / ‘k Zal in den dageraad / Ontwaken, met een luid / Gejuich, dat tot U gaat. / Ik zal Uw heil, o Heer, / Op ’s werelds markt verbreiden.”

Nu zit ik met het volgende probleem. Allicht heeft Trump geen buren die Luit of Heiloo heten. En in de Engelse berijming zal het ook wel weer anders klinken. Maar hoe kon de psalmdichter dat nou van die markt weten? Of maak ik het dan weer te groot?

Plaats een reactie