
Jan Mankes, Maannacht bij Woudsterweg, 1914
Behalve als dichter van dat gedicht over de zwanen leek mij Ida Gerhardt nooit een natuurlyricus. De profundis zie ik regelmatig: de twee kwatrijnen staan als ‘straatpoezie’ afgebeeld op een gemaaltje in Waterland. Je komt er langs als je de Zeedijk neemt om van Monnickendam naar Amsterdam te komen. Wat natuurlijk de mooiste weg is.
Het lukt maar niet dat gedicht te memoriseren, iets hoekigs in het taalgebruik is mij vreemd. Maar misschien is er ook wel meer, ik vind Gerhardt altijd zo streng, vooral voor zichzelf. En bij dat gedicht vraag ik mij altijd weer af: welke diepe duisternis bedoelt Gerhardt hier toch ? Dat van die ‘ruisende slagen’ begrijp ik. Die zwanen zie je trouwens toch overal daar in het Waterland. Vooral nu in de winter verzamelen ze daar. Ga maar kijken. Luísteren.
Nu liep ik vorige week een boekje tegen het lijf dat ingaat op Gerhardt als voorvechtster van natuurbehoud. Daar keek ik van op. (Ida Gerhardt Plant, mens, dier. Proza over de kunsten en natuurbehoud; samengesteld en ingeleid door Mieke Koenen. Amsterdam 2025). Met dat voorvechten liep het wel zo’n vaart niet maar Gerhardt heeft bij tijd en wijlen toch wel eens in ’t publiek gezegd dat de verloedering van de natuur haar erg aan het hart ging. Ik heb het nog niet helemaal uitgelezen maar dit gedichtje bekoorde mij:
Z O M E R A V O N D
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Het gaat om de laatste twee regels. Toen Gerhardt bij het schrijven tot aan slaapt niet gevorderd was, stokte het. Nu was het hele vers, nu was alles mislukt. Zij vertelt veel later in een lezing over de ontstaansgeschiedenis van dit miniatuurtje iets opmerkelijks. Niet het technische raakt mij (al zit dat vernuftig in elkaar) maar het feit dat zij vijfentwintig jaar heeft moeten wachten voor zij voor die impressie uit haar studententijd de woorden kon vinden. Ze kan er nog niet over uit. Ze is weer die student, én dat kind, én de dichter “( . . . ) die , als ze zesenvijftig is, die onvergetelijke zomeravond eindelijk zal mogen beschrijven, als een dank aan de schepper aller dingen.”
Dat van die schepper laat ik nu maar even voor wat het is – Gerhardt was gelovig. En in dat geloven ook nogal weerbarstig, begrijp ik. Maar waarom droeg zij de herinnering aan die zomeravond vijfentwintig jaar mee?
Elders zegt zij: “Nog altijd betekent werkelijke omgang met poëzie [ . . . ] receptief durven zijn, zonder vrees, zonder preoccupatie, zonder bijgedachten. Dit geldt dan voor de lezer en voor de dichter gelijkelijk.”
En dit: “Is dichten slechts aandachtigheid?” (In NA DE DAG, Kosmos 1940). Ik denk het wel. En dat luisteren houdt niet op. De ruis eruit filteren, dat is het lastige.
Plaats een reactie