Satan


Still uit Sátántangó van Béla Tarr, 1994

In de openingsscène van de film Sátántangó sjokken koeien door de prut. Het moet heel vroeg zijn, de wereld is nog kleurloos. Mensen komen niet in beeld, die koeien lijken doel en weg te weten. Of niet, af en toe keert een om. De gebouwen waar zij langs komen zijn van een mistroostig stemmende functionaliteit. Liefdeloos, haveloos. De modder zuigt. Dat is het enige geluid: het zuigen van die modder als zo’n koe haar poot eruit trekt. Na een minuut of tien realiseer je je dat de film zwart-wit is; dat zal – ie 7 uur blijven.

Afgelopen dinsdag overleed Béla Tarr (1955-2025). Allerwegen wordt breed uitgemeten wat zijn betekenis voor de cinematografie was. Ik recenseer geen films. Ik kan alleen maar zeggen dat ik zeven uur steeds stiller wordend naar Sátántangó heb zitten kijken. En naar de andere acht films van Tarr. Mijn bespreking houd ik kort: in Het paard van Turijn (A torinói ló / The Turin Horse, 2011) onderzoekt Tarr wat er met het paard gebeurde nadat Friedrich Nietzsche dat dier op 3 januari 1889 in Turijn om de hals vloog omdat hij niet kon aanzien dat de eigenaar het beest afranselde. Vermoedelijk is dat verhaal apocrief maar Nietzsche’s geestelijke ineenstorting was wel een feit. En dat net nadat hij God dood had verklaard. Wat nu?

Het einde van de wereld breekt niet aan omdat God zulks behaagde (een dooie God?!)  maar omdat de mens het verkloot heeft, lijkt Tarr te zeggen. Of misschien toch beide als God niet helemaal dood is. Interpreten bakkeleien daar nog steeds over. Tja, als je er de filosofie bij haalt, of de theologie, of de politiek, dan ben je nog wel even bezig.

In het land dat Tarr laat zien heb ik zelf rondgereisd. Ik heb er zelfs gewoond. Ofschoon ik wat Hongaars heb leren spreken kan ik niet zeggen dat dat hielp de mensen te begrijpen. Kennis van het land en haar geschiedenis dan? Hmmm, matig. Maar deze ervaring kwam boven drijven:

Ergens in de vroege jaren ’80 fietste ik met mijn lief van toen in het oosten van Hongarije, tegen de Russische grens aan. Oekraïne was toen nog de Oekraïne. De zegeningen van het communisme drukten zwaar boven het land. Het geval wilde dat ik in die verlatenheid iets met mijn fiets kreeg: een remkabel brak. Wat te doen?

Een fietsenmaker was er allicht niet, maar die kolchoz daar had toch wel zeker een werkplaats? De boel lag er verlaten bij, een kettinghond sloeg aan. Achter een openstaande deur klonken wat hamerslagen. ‘Hallo?’ Een man verscheen. In ons gebrekkig Hongaars legden wij onze nood uit. Hij bleef maar niets zeggen. En naar onze fietsen kijken. Die zag je daar niet zo.

Toen blies hij op z’n vingers. Van overal kwamen opeens mannen vandaan, zeker twintig. Ze dromden om ons heen, raakten de fiets aan, de tassen die daar aan hingen. Er werd gelachen en we voelden ons geenszins bedreigd. Zouden ze ons nog helpen?

Iemand kwam met een kratje aanzetten. En daarin bier. Er kwam meer kratjes, en meer bier. Het was ochtendkoffietijd maar om ons heen zat de hele kolchoz te toosten en te kletsen. Iemand moet de fietsen de werkplaats binnen hebben gebracht. En wij maar vertellen, over het leven in ‘Het Westen’. Net twintig waren we. Aan het einde van de middag reden we het pad weer af. De remmen deden het weer.

Nog voor ik de film Sátántangó in de bioscoop had gezien kende ik daar een fragment van. Een goede ziel uit een of ander land had het Salve Regina van Arvo Pärt daaronder gezet. Dat harmonieerde wonderwel.

Ik vermoed dat Tarr het misschien maar niks vind misschien maar dan had hij die film maar niet Sátántangó  moeten noemen. Wellicht vond hij Pärt een gelovig dwaallicht. Ik wil hem hiermee vanochtend alleen maar even eren. En Tarr heeft daar niks meer over te zeggen.  Over de geloofwaardigheid van een duivel die zou bestaan doe ik ook geen uitspraken.

Plaats een reactie