
Steenuil (Athene noctua) | foto Luc Meert
De oude Grieken associeerden de steenuil met helderheid van geest en vernoemden die kleinste der uilen daarom naar hun godin van de wijsheid, Athena. Dat was me er eentje hoor! Godin van de oorlog en vrede ineen, en nog een aantal bezigheden die de moderne tijd niet gehaald hebben. Waarom ze dat deden is mij nooit recht duidelijk geworden. Het ligt voor de hand dat dit te maken heeft met het feit dat een uil je recht aankijkt. Onverschrokken. Zo’n ontmoeting vergeet je nooit meer. ’t Was laat op een doordeweekse namiddag, ergens aan het begin van de zomer, nu dertig jaar geleden. Ik fietste argeloos langs de Noorderdijkweg naar Wieringen, ik kwam van mijn werk, in Medemblik. Bijna bij het Gat van de Dijk gerakend keek hij mij aan vanaf een rasterpaaltje achter de sloot: ‘En wat is jóuw bestaansrecht?’
Korter kan ik het niet zeggen.
Van vogels wist ik toen niet veel, maar een uil, dáár, en dan zomaar overdag? Die mij doordringend aankeek? En dat bleef doen door zijn kop helemaal mee te draaien terwijl ik freewheelend langs gleed? Toen hij zelf wegvloog van het rommelveldje maakte hij nog minder geluid dan mijn banden op de weg.
Later, veel later, kwam ik erachter dat een steenuil in de Wieringermeer net zo bijzonder is als een koekoek op zee. Steenuiltjes hebben op die monogecultiveerde akkers helemaal niks te zoeken. Een opgeruimd erf is hun een gruwel. Ze houden van vergeten schuurtjes met onduidelijke bestemming, van overal hagen met warrig onderhout. Van paardenweitjes ertussen. Hoge fruitbomen rond de hoeve. ’s Avonds hoort men er des landmans gerusten tred, de vrouw doet de luiken toe voor de nacht. Vind dat maar eens in een door en door gerationaliseerd polderlandschap.
Romantisch? Nee hoor. Steenuilen vind je overal waar de kaalslag door de ruilverkaveling nog niet heeft huisgehouden. In het oosten van dit land dus vooral, in de Achterhoek en in Twente. Daar wordt misschien de wijsheid nog bewaard dat een kleinschalig cultuurlandschap een zegen is voor de soortenrijkdom. Tegenwoordig heet zoiets een ecologisch advies en moet je daarvoor flink betalen. Maar als je gewoon kunt zien dat het goed gaat met de steenuil is dat een prima indicator dat het ook met de biodiversiteit goed gaat.
Wonderlijker wijs kom je de steenuil ook wel tegen in West-Friesland, een enclave in een verder steenuilenloos landschap. Of misschien toch niet helemaal toevallig. Uit aardigheid hebben ze daar niet overal de hoogstamboomgaarden gerooid. Ook staan er soms nog zomaar schuurtjes waarvan niemand meer weet of ze nog ergens goed voor zijn. Daar zag ik ze later wel vaker, toen ik daar op een school kwam te werken en er in een tussenuur even op uit kon gaan. En altijd dacht ik aan die eerste keer, en schoot ik zonder erg weer in de lach. Een bangert noemen ze daar zo’n boomgaard, de bongerd. Niks om bang voor te zijn.
Een antwoord op die ene vraag zoek ik nog steeds, soms. Pas de laatste tijd houd ik rekening met de mogelijkheid dat geen antwoord natuurlijk ook een antwoord is.
Plaats een reactie