Gewoon


Zevende druk (1972) van Het vogeljaar (1903), toen Thijsse al dr. h.c..  was

Ik sla Thijsse’s Het Vogeljaar nog wel eens op. Om te zien wat hij zag, nog maar een eeuw geleden. Om wat verdwenen is. Hoe gewoon een bonte wei toen was. Iedere keer weer valt mij op hoe dicht Thijsse het bij huis zocht. En hoe goed hij keek. Meteen in het eerste hoofdstuk over de hofmakerij van de musjes:

De man kan zich mal genoeg aanstellen, als hij zo met hangende vlerkjes rondhuppelt, doch ’t wijfje doet net zo gek. Zij loopt theatraal struikelpasjes, laat ook haar vlerken slepen, zet flauwe ogen, door uit de hoeken het zogenaamde wenkvlies erover te trekken, en ziet soms scheel, doordat slechts één oog gesluierd wordt en ’t ander listig bruin om een hoekje kijkt. Dan spert ze de bek open, gedraagt zich geheel als een hulpeloos , hongerig jong, en ’t mannetje is zo geestig, om daar op in te gaan en geeft haar wat te eten.

Thijsse hoedt zich wel voor het gevaar menschelijke drijfveren en overleg aan deze vogels toe te schrijven. Hij vindt dat de daden van een dier eigenlijk niet door een mensch begrepen kunnen worden. Daarin is hij zijn tijd ver vooruit. In zijn respect ook.

In Vogelzang, dat in 1938 al persklaar was maar pas in 1965 ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Thijsse alsnog als dank en huldeblijk door  de Koninklijke Verkade Fabrieken N.V. werd uitgegeven (ook niet vrij van commercieel belang, lijkt mij), begint ook al zo ogenschijnlijk eenvoudig: ‘Waarom zingen de vogels? Ik weet het niet, maar dit weet ik wel: ze kunnen het niet laten.’ Thijsse was alleen al daarom zo’n goede leraar omdat hij het antwoord echt niet wist en ook niet wilde doen alsof. Hij laat je met die vraag zitten. Ik stel ‘m iedere keer als ik een vogel hoor.

In 1975 is de hele reeks Lente (1906), Zomer (1907), Herfst (1908), Winter (1909) nog eens facsimile door de koekenbakkers herdrukt, compleet met inlegvellen met de uit te knippen en in te plakken plaatjes. Dat was goed voor de nostalgie maar niet voor de natuur. Nee, Thijsse had de firma geen windeieren gelegd. Maar Thijsse’s belang overtreft vele malen die van de koekjesfabriek. En dit is geen kwestie van smaak.

In de laatste Andere Tijden – aflevering wordt Thijsse ten behoeve van het jeugdig publiek met Freek Vonk vergeleken. Nu geloof ik best wel dat Vonk iets bij kinderen kan doen overspringen, ik zie dat bij onze kleindochters.  Maar Thijsse hield het bij wat hijzelf onbekommerd echt kon zien als hij de straat uit liep of fietste, eerst in Amsterdam, later in Bloemendaal. Vogels die hij niet zelf had gezien beschreef hij niet eens.  ‘Ik heb den Renvogel en den Scharrelaar ook nooit in ’t wild gezien en ben er niet eens zoo heel benieuwd naar.’ Voor wat Freek Vonk allemaal bij elkaar holy molyt moet je eerst het vliegtuig in en daarna een terreinwagen of duikboot.

Ik heb niks tegen koekjes maar het geloof  dat vliegtoerisme goed is voor het menselijk welzijn zal ik niet uitdragen. Kijk eerst maar eens om je heen. Dat daar niet genoeg te zien zou zijn is onzin. Of  ’t moest komen doordat we natuur en landschap sinds de tijd van Thijsse ernstig verkloot hebben.

Ofschoon iets jonger dan Thijsse deelde Nescio dezelfde wereld van laten we zeggen vóór de komst van de automobiel. En die zou over het verkloten kunnen hebben opgemerkt: ‘God zegene de verantwoordelijke authoriteiten. Als ’t kan een beetje hardhandig.’

Plaats een reactie