
Een reusachtige ijsvogel van hout
Dwalend over de schor bij Wieringen vond ik ooit eens dit stukje hout. Geen mens weet hoe lang het er al lag, waarvandaan het aangespoeld kwam. Maar voor mij was het een vogel. Een ijsvogel, besliste ik. Dat zag ik meteen want die had ik in die dagen juist voor het eerst gezien. In het Robbenoordbos was dat, vlak achter gemaal Leemans. Het was in het najaar, bladeren knisperden al onder mijn voeten toen ik afdaalde naar de waterkant. Een kobaltblauwe schicht kwam daar dwars door mijn hart gevlogen.
Ik sjouw het beeldje (want dat is het) nu al meer dan dertig jaar mee en telkens staat het ergens in de buurt van mijn schrijftafel. Hij slaat gade vanaf een nauw albasten vaasje. Dat is zijn tak. Dat vaasje is ook ooit gevonden, op een andere plaats en in een heel andere tijd maar die twee horen nu bij elkaar. Vanaf zijn plek houdt hij mij in de peiling. Het kan ook een zij zijn.
Een ijsvogel zeg je? En dat adembenemende blauw dan? Het oranje van zijn buik? Zijn snavel als een dolk? De streep van witte veertjes naar zijn nek?
Uit welk deel van de boom het stuk komt valt niet te zeggen. Evenmin van welke boom: een wilg? Het kan heel goed uit de kruin van knotwilg komen. Soms denk ik olijf, er zit een glanzend stuk in, maar olijven zie je niet zo in onze streken en daarvoor is het hout ook te zacht. Er zitten spannende draaiingen in, hij kijkt om de hoek, wendt alert de kop om te luisteren wat er is, om te zien waar het onheil huist. Maar kleuren? Zelfs vleugels heeft hij niet. Als het dan toch ergens op moet lijken, zegt de vogelaar, een draaihals misschien? Geen denken aan, die is niet door mijn hart gevlogen.
Het is een reusachtige fantasie. Een vlucht van de verbeelding. En nee, vliegen zal hij nooit. Bij alle verhuizingen moest ik ‘m voorzichtig inpakken. Ik kan tegenwerpen dat ik opgezette vogels maar niks vind en mensen die zoiets in hun werkkamer zetten maar sneu. Over hertengeweien in de hall zal ik niet eens beginnen. Maar ik hoef mij niet te verdedigen. En overigens weet ik het zeker: dit is vermoedelijk de oudste ijsvogel ooit. Ik schat een eeuw of elf. Deze zag nog Vikingschepen naderen. Maar het kunnen ook gemakkelijk millennia zijn.
Geelen en Van Loenen sommen in De IJsvogel (2025) alles op wat ze over ijsvogels te weten zijn gekomen en wie zelf nog nooit de eer heeft gehad er een te zien moet beslist in dat boek gaan kijken. Want in de vrije natuur lukt dat niet zo gauw. Vrijmoedig verhalen de echtelieden hoe vaak dat wel niet mislukte. En waarom. Ze zijn vogelaar geworden bijna tegen wil en dank. “Het moet er maar eens uit: ook ik ben vogelaar. Niet iets om trots op te zijn. ‘Als je ooit zo wordt, ga ik bij je weg,’ dreigde mijn vrouw eens, wijzend naar de televisie die een vijftiger toonde met een gezicht als de kop van een kalkoen. Met ringbaardje, kaplaarzen en geblokte wollen trui stond hij door een verrekijker te turen naar een vogel in de verte.” schreef Geelen al in Blinde vink; hoe ik leerde vogels kijken (Atlas, 2009). Geelen is vóór al journalist, net als zijn vrouw. Die vragen wat ze niet weten gewoon aan mensen die dat wel doen.
Fred Haaijen bijvoorbeeld. Die was tot aan zijn pensionering stadsecoloog, nota bene hier in Amsterdam-Noord. Dat ook hier ijsvogels zitten had ik wel gedacht, al heb ik er nog nooit een gezien. Ik zocht ook niet. De plekken die Geelen en Van Loenen met Haaijen afgaan ken ik allemaal. ’t Is om de hoek. Als je werkelijk iets zoekt is het altijd om de hoek.
Plaats een reactie