Indianenverhalen


Edward S. Curtis, The North American Indian. 1907-1930 [TASCHEN 1997] Mijn exemplaar (met alleen de foto’s) kostte ongeveer € 20.

Toen ik een jaar of negen was ontdekte ik in de toen pas geopende Openbare Bibliotheek de boeken over Arendsoog en Witte Veder. Dat was me wat! Met mijn schoolvriendje Riny sloop ik spoorzoekend door de bosjes achter camping ‘Land uit zee’, geen takje zou kraken onder onze kousenvoeten. Mocassins hadden we  niet, en die durfden we ook niet aan onze moeders te vragen. Richting Arizona was het nog een heel eind. Wij droomden van paarden. Het Amazonewoud was nog verder weg van de droomloze akkers met hun gerationaliseerde suikerbieten en kostenefficiënte aardappels.

Wanneer het besef indaalde dat die beelden van het leven van indianen niet klopten weet ik niet meer precies maar ze kwamen weer bovendrijven toen ik kennismaakte met de ‘nobele wilden’ van Rousseau. Het probleem van een veronderstelde natuurstaat waarin mensen in harmonie met de natuur leefden en een liederlijke beschaving die dat bederfelijk in de weg stond kwam nog weer later. Dat had Rousseau helemaal niet gezegd, bleek nog weer later, hoe triomfantelijk Rutger Bregman dat recent ook nog beweerde. Dat van die wolf van Hobbes zal dan ook wel niet kloppen, al lijkt mij dat accurater. Wat dan wel weer erg beledigend is voor de wolven. Ik wil maar zeggen, het blijft behelpen met beelden.

Afgelopen week borrelde dit alles op toen ik gisteren die foto’s van Sebastião Salgado bekeek. Het verwijt dat hem wel wordt gemaakt is dat zijn foto’s te esthetiserend zijn. Het is allemaal te mooi om waar te zijn. Of gaat het hier om een gelikte manipulatie van sentimenten? Een door iedereen gedeelde droom van vrijheid en waardigheid in een overvloedige natuur, kortheidshalve: het paradijs? Wat zien die deelnemers van COP30 bij het bekijken van Salgado’s foto’s als zij deze week besluiten moeten nemen die ook en vooral het lot bepalen van al die Zuid-Amerikaanse bewoners van de Amazonewouden?  

Een vergelijkbare verwijt van estheticisme trof Salgado’s verre voorganger, Edward S. Curtis. Salgado moet het werk van Curtis hebben gekend: de overeenkomsten zijn groot, niet alleen de artistieke.

Van Curtis had ik graag een biografie gelezen. Als die nog eens geschreven wordt dan het liefst graag door een niet-Amerikaan, anders dreigt er maar geschiedvervalsing. De visie achter How The West Was Won doet het goed op het heilige doek van Hollywood maar misstaat bepaald in serieuze studies over de geschiedenis van Noord-Amerika en de oorspronkelijke bewoners. Of haar kolonisten vanaf 1492. Of haar huidige bewoners. Daar kwam ik wel achter toen ik op latere leeftijd bijvoorbeeld John Williams’ Butcher’s Crossing (1960) las. Of Dee Brown’s Bury my heart at Wounded Knee (1970).

Toen Curtis in 1952 in armoedige omstandigheden overleed liet hij meer dan 40.000 negatieven achter en 10.000 indianenliedjes en liederen. En de digitale camera of handzame recorder bestonden niet toen Curtis aan zijn ‘project’ begon. Alle hem bekende indianenvolkeren had hij bezocht. Van 75 talen en dialecten had hij de basisbeginselen genoteerd. Ontelbare verhalen, mythisch zowel als historisch had hij opgetekend. Het is van een onvoorstelbare rijkdom.

1952, hij was 84, zijn werk lag te verstoffen. De New York Times wijdde 76 woorden aan zijn leven en zijn verdiensten. “Mr. Curtis was also known as a photographer.” De Koude Oorlog breekt dat jaar uit met de eerste waterstofbom. Hier te lande worden de Efteling en Madurodam geopend. De eerste Donald Duck wordt verspreid als bijlage bij de Margriet. Dat wordt een groot succes.

En het lot van de Noord-Amerikaanse indianen anno 2025? Voorzover ze nog leven doen ze dat in ‘reservaten’. Daar wou ik het vanmorgen maar bij laten.

Edward Sheriff Curtis (1868-1952), zelfportret. 1899

Alle 20 delen van Curtis’  monumentale The North American Indian,  bij Swan Auction in 2012 afgehamerd op $ 1,44 miljoen

Plaats een reactie