Via Seneca


Nog zichtbare karresporen in de Via Appia, net buiten Rome

Stoïcijn worden, dat heeft me altijd wel wat geleken. Me door niks uit het veld laten slaan. Alles kalm aanvaarden. Maak je niet druk, ouwe jongen! Maar m’n temperament zit mij tegen. Onaangedaan door het gewoel van de wereld? Kom zeg, d’r hoeft maar even een politicus te roepen dat we rechtsaf moeten of het begint van binnen te kolken, ‘Nee! Linksaf, sukkels!’ Dat het opstandige wel in mijn aard moet zitten blijkt wel dat ik even hartstochtelijk ‘Nee! Rechtsaf, sukkels!’ kan roepen. Of bij ‘Rechtdoor’ alarmerend begin te ratelen over gindse afgrond. Nee, voor de Stoïsche levenshouding heb ik weinig aanleg.

Dit bedacht ik gistermiddag toen ik op een website zat te surfen waar je alle wegen kunt terugvinden die de Romeinen ooit aanlegden. (https://itiner-e.org/). Het leek eerst een ingekleurde kaart van waar we in de loop der tijd allemaal geweest zijn. Een soort Polarsteps van onze reisroutes, maar dan zonder onze persoonlijke foto’s. Jeumig, waren we daar allemaal geweest? En dan nog hele stukken in Europa waar die Romeinen niet geweest waren. En wij wel.

Nog maar een maand geleden liepen we over de straten van Pompeï. Ja, ook wel erdóór maar de bovenkanten van de huizen moest je erbij denken. Je denkt dan eerst, nou mooi dat ze het toen al geplaveid hadden, maar als je eroverheen loopt valt dat lelijk tegen. Je breekt je benen bijna door alle gaten die er tussen de stenen zitten. En fietsen daar was helemaal niks geweest. Nou ja, de Romeinen hadden nog geen fietsen, anders hadden ze wel asfalt neergelegd. Knappe jongens hoor, die Romeinen, ze hadden zelfs eenrichtingsverkeer.

Zonder dat we het daar met elkaar over hadden moesten we wel allebei denken aan die keer dat we een hele dag over de Via Appia hadden gewandeld. Dat is net zo’n weg, met net zulke uitgesleten karresporen.

De zon stond toen op hoogzomer en we waren blij af en toen onder de cipressen schaduw en verkoeling te vinden. De uitzichten werden steeds weidser naarmate we verder van de eeuwige stad geraakten. En van de heksenketel in de stilte, waar nog meer eeuwigheid wachtte.

Van de Stoa had ik toen geringe kennis en dat Seneca daar zijn laatste rustplek had gevonden kwam als een verrassing. ‘Hé, het graf van Seneca!’ Nou ja, dat zei het bordje bij een hoop stenen. Hoe die aan z’n end was gekomen kwam ik pas later te weten. Ik hoopte maar dat ie er zelf stoïcijns onder gebleven is toen zijn leerling Nero hem opdroeg zelfmoord te plegen.

Zo zat ik weg te mijmeren boven de Via Appia, en die andere oude Romeinse wegen, de karresporen die je na tweeduizend jaar nog steeds kunt zien. En ik zag mezelf zitten. Dat ik langs hobbelige wegen soms struikelend tot hier gekomen ben, en ik Seneca’s wijsheid vaak in de wind sloeg, is tot daar aan toe. Dat ligt achter mij.

‘Wie zijn heden verprutst, is de slaaf van zijn toekomst,’ schrijft Seneca ergens. Niet in oude karresporen stappen, daar komt het op aan. Nu de politiek nog.

Plaats een reactie