
Om mijn verwachtingen van de klimaatconferentie in Belém, Brazilië te temperen schrijf ik een alinea over uit een boek:
“Briefje van de chef-wetenschap van de NRC. Of je, vanwege de heersende somberte, voor de eindejaarsbijlage een stuk wilt schrijven over het verschijnsel optimisme in de natuur. Zeer vereerd. Maar helaas. Het verschijnsel optimisme is in de natuur niet bekend. Optimisme vereist verwachtingen, verwachtingen vereisen besef van toekomst – en dat is nou juist het bijzondere van de natuur: al die levensverrichtingen in den blinde.”
(Koos van Zomeren, We gaan zo, Amsterdam 2025 (Privédomein 335).
Wanneer dit speelt vermeldt Van Zomeren niet. Hij treft de notitie aan in ‘De Stapel’: aantekeningen, invallen, opzetjes, ideeën voor boeken, enzovoorts die hij op zijn bureau aan het opruimen is. We gaan zo zou zo maar zijn laatste boek kunnen zijn. Straks gaat – ie echt.
Of niet! Want waarom vist Van Zomeren die notitie dan uit de vullis? Is dit iets van een verklaring voor zijn levenslange nieuwsgierigheid naar de natuur, met tot gevolg prachtige boeken als Alle vogels (2017) en Heel de natuur (behalve vogels) (2022)?
Ooit had hij dit opgeschreven, was het een waardevol inzicht. Maar het bleef liggen. Zou hij er nu nog iets mee willen doen? Van wat voor soort optimisme getuigt dat dan?
(In elk geval minder blind dan het vooruitgangsoptimisme dat door AI aangestuurde technologie al onze problemen oplost. AI weet niet wat de waarde van vullis is).
Plaats een reactie