
Rotganzen | foto https://stats.sovon.nl/stats/soort/1680
Even voorbij Vatrop vond ik eindelijk in een weiland een klein troepje van zo’n twintig grazende rotganzen. Ik had toen heel Wieringen al afgespeurd: wat als ik ze niet zou vinden? Maar daar waren ze: rròòòh, rròòòh, rròòòh, rròòòh.
Als vogelaar sla ik een dwaas figuur maar een rotgans herken ik ogenblikkelijk. Zo begroet je een oude vriend, het is lang geleden, er dwarrelen diffuse herinneringen door het beeld, waar was je nou, je weet niet goed waar te beginnen, wat te vragen, maar wat ben je blij, wat ben je opgelucht, ’t is goed, het is zo intens goed, en je kunt weer verder samen. Die ander was nooit weg.
Toen ik in de jaren zeventig vanuit de Wieringermeer op Wieringen begon te komen had ik altijd het gevoel in een andere tijd te stappen. Dat was niet een specifieke andere tijd, die van de 19e eeuw of de middeleeuwen of zo, of godbetert fantasietjes over Vikingen. Misschien had het niet eens met tijd te maken maar meer met ruimte: The Other World, een mythisch eiland dat parallel aan onze wereld bestond. De hemel was daar wijder, de luchten ruimer. Daar kon je ademen. De aarde was daar van aarde, de stenen van steen. Ooit waren die in de voorlaatste IJstijd uit Scandinavië hierheen geduwd. Vanuit dat eiland dat sinds 1927 geen eiland meer was zouden we de wereld naar onze zin inrichten, een wereld die niet bezoedeld werd door macht, eerzucht of geld. Eerlijker. Waarachtiger. Schoner. Echter.

Het eiland Wieringen, ingekleurd door Harry Jasper. Via Wieringer Eilandmuseum Jan Lont.
Dat kon natuurlijk niet, zeiden ze. En het kon ook niet.
Op Wieringen is Rotgans een heel gewone achternaam en ik leerde er een aantal goed kennen. Toen al kwam ik erachter hoe eiland, vogel en mensen met elkaar verbonden waren. Vissers en boeren gingen in de winter op ganzenjacht, de ‘gangzers’. Dat is Wierings voor iemand die gangst. Een gangzer gangst zoals een visser vist. Nou ja, sommigen deden dat want niet iedereen kon het geduld en de ontbering opbrengen om ze pakken te krijgen. Van alle ganzen is de rotgans misschien de schuwste.
Maar dat waren verhalen uit de oude doos, verhalen van grootvaders. Dan gebeurt er iets met die verhalen. Er sluipt valse romantiek in, potsierlijke zelfvergroting, mankepoterige heroïek. Maar ik zocht gisteren de echte, een hele ochtend tevergeefs. Zaten ze op het wad? Of misschien op de rijk gedekte tafels van de Wieringermeer? In de zeventiger jaren was de rotgans uiterst zeldzaam. In de jaren negentig namen hun aantallen gestaag weer toe. Ze moesten er zijn, ik had het gecheckt op de waarnemingensite van Natuurvereniging Wierhaven.
Men giste naar oorzaken. Barwolt Ebbinge somt die op in de prachtige monografie De rotgans (Atlas/Contact vogelreeks, Amsterdam 2014). En prikt ze door. De allermerkwaardigste is dat rotganzen aan een boom groeiden:

Uit: John Gerards “Herball”, London, 1657
Die hield lang stand. Linnaeus nog gaf in de 18e eeuw de rotgans de naam Branta bernicla, zwarte gans uit een eendenmossel. Die naam wordt nog steeds gebruikt. Zou hij die mythe nou echt geloofd hebben? Wees op je hoede, zelfs met wetenschap en vooral als er met Latijn gestrooid wordt. De mythe dat de rotganzen in de jaren dertig Wieringen opeens niet meer bezochten omdat ze in de Goelagarchipel bij de poolcirkel onder de Stalinterreur door hongerige gevangenen werden doodgeknuppeld en opgevroten komt er bij Ebbinge iets genadiger van af. Maar allicht heeft het vooral te maken met de afsluiting van de Zuiderzee.
Aan het eind van zijn studie, dat de neerslag vormt van een levenslang onderzoek naar de rotgans, trekt de bioloog Ebbinge voorzichtig een paar conclusies. Het heeft te maken met het aantal de lemmingen op Taimyr, waar de rotganzen broeden. Met de meeuwen daar, en met de sneeuwuil. Met de poolvos. En met nog een heleboel andere dieren en omstandigheden. Met alles dus. En ja, en ik vrees ook met wat Poetin in z’n kop heeft. Of Jetten. We weten het niet precies.
Maar toen ik die rotganzen gistermiddag eindelijk vond, op dat weilandje achter de dijk bij Vatrop, echte vogels in de echte wereld, hérvond, als een oude vriend, dacht ik: kijk, dat is geluk.
Plaats een reactie