Stem wijzer: wenk vier


Als je tegenwoordig politici het woord ‘democratie’ in de mond hoort nemen, is het oppassen geblazen. Dan bedoelen ze waarschijnlijk dat de wederstrevende partij niet democratisch is en / maar zij zelf wel. Alsof ‘democratisch’ trouwens een keurmerk is voor ‘goed’. Wat een kleuterachtige eigenwaan! Niet alleen was in de Oudheid representatieve vertegenwoordiging al een probleem (vrouwen, slaven en kinderen telden niet mee, bij sommige politieke partijen trouwens nog steeds niet) maar als je naar de zieltogende staat van deze planeet kijkt is het zonneklaar dat je het bestuur ervan maar beter niet aan mensen, demos, het volk, over kan laten.

Met grote belangstelling volg ik de ontwikkeling om de natuur ‘een stem’ te geven. Laat ik me voorzichtig uitdrukken: ik heb zo nog mijn reserves. De juridisering van de samenleving is weinig hoopgevend. Klemmender nog is het volgende bezwaar:  wie geef je dan het mandaat om namens de natuur te spreken? De weinig verheffende soap bijvoorbeeld rond de Partij voor de Dieren leert dat die club geen Partij van de Dieren is. Nou ja, de mens is ook een dier maar aan die wetenschap hebben de andere dieren vaak zo  beroerd weinig.

In zijn laatste boek Leeft een rivier? gaat de Britse natuurschrijver Robert Macfarlane op zoek naar de stem van de rivier (Robert Macfarlane, Is a river alive? 2025). Aan het eind van zijn zoektocht lijkt hij te kunnen horen wat de rivier hem mee te delen heeft. Ik ga dat niet citeren of samenvatten – Macfarlane zelf vindt het trouwens ook ondoenlijk om weer te geven wat het water hem te zeggen heeft. Maar, oppert hij:

‘. . . er komt mogelijk een grote uitbreiding van het verstand en de verbeelding bij kijken . . .’

Zo is ’t maar net: net als je denkt er grip op te krijgen, ontglipt het je weer. Het lijkt wel mystiek. Die mysterieuze eigenaardigheid deelt het begrip natuur met begrippen als ziel of god. Hopen op een grote uitbreiding van het verstand of de verbeelding lijkt mij een slechte strategie als het erom gaat een politieke koers uit te zetten.

_____

[. . . ] en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord [. . .]

dichtte Marsman in het iconische Herinnering aan Holland (1936). Hij verwoordde daarmee niet de stem die ik bedoel – daar heb je ’t gedonder al weer, want hoe weet ik dat zo zeker?!  –   maar veeleer de vrees die de natuur inderdaad mensen terecht kan aanjagen. En na tromgeroffel klinkt daarna natuurlijk de triomfkreet dat ‘wij’ die hebben ‘overwonnen’. Pfff, het water als vijand, de waterwolf. . .  

Wie over de natuur nadenkt in termen van schadelijk of profijtelijk komt in een kamp terecht waarin ook heel gemakkelijk gezegd wordt dat je de natuur soms iets ‘terug moet geven’. In zo’n transactionele opvatting van de verhouding tussen mens en natuur kan het moeilijk lang goed gaan, want alweer: wie bepaalt dat dan?

Wie zich evenwel realiseert dat onze rivierdelta in deze lage landen door de geografische ligging (en nog een aantal factoren zoals de toevallige golfstroom en andere zaken die wij niet in de hand hebben) zoveel mensen en dieren kan herbergen, en al zo lang, is iets op het spoor dat veel verder gaat dan alleen eigenbelangelijkheid. Die wordt zich namelijk ook bewust van de verantwoordelijkheid die het met zich meebrengt dit unieke gebied te onderhouden. Dat vraagt inderdaad een luisterende houding. Die kun je pas aannemen als je de natuur, alle levende wezens, serieus neemt. Vandaar mijn vierde wenk: ondervraag politieke partijen op hoe ze de verhouding tussen mens en natuur zien.

IV.  Mens en natuur staan niet tegenover elkaar.   

Plaats een reactie