
Ons laatste onderkomen in Italië droeg de deftige naam ‘Antico Borgo del Pozzo’. We hadden nog een kleine week. Op die naam had mijn vrouw het adres niet uitgekozen. Ook dat het gelegen was aan de via San Arcangelo, de weg van de heilige aartsengel, had niet meegespeeld, bezwoer ze, al erkent ze een latente gevoeligheid voor spirituele aangelegenheden. Iets uit haar jeugd. Maar kom op zeg, in de toeristennegotie wordt wel meer beloofd waarbij zelfs het ijle gezang der engelen verbleekt. Kwaliteit en prijs, ligging, uitzicht, daar kwam het op aan. Dit was althans in de buurt van Pompeï, zonder de overlast van toeristenstromen. De naam ‘Pozzo’ zei haar niets. ‘Oud dorp van de put’? Welke put dan?
Misschien was die er die ooit voor de dorpelingen geweest op de plek van het fonteintje, aan het begin van het steile paadje waarlangs we onze bagage omhoog moesten zien te krijgen. Vóór dat fonteintje konden we vrij parkeren, had de eigenaar ons verzekerd – contact verliep uitsluitend via whatsapp. Over dat parkeren dacht de Polizia Locale di Tramonti heel anders. En de eigenaar had het ook al mis als het ging om wifi-ontvangst. Dat we de sleutel van de accommodatie onder een verkeerde bloempot zochten valt hem evenwel niet aan te rekenen. Niet erg, tenminste.
Hoe toevallig kon dit alles zijn? vroeg ik mij af. Sinds de ontmoeting met de Ombra della Serra in het Etruskisch museum in Volterra dwaalden mijn gedachten via Giacometti ’s variaties daarop steeds af naar Beckett ’s Waiting for Godot. Naar de boom die Giacometti voor een voorstelling in 1961 ontwierp: die moest dun zijn, wisten beiden. Vladimir en Estragon zijn ook dun, in alle opzichten. Nóg dunner zou die boom zijn. “We hebben de hele nacht geëxperimenteerd met die gipsen boom, hem groter, kleiner, dunner gemaakt. Het leek ons nooit goed. En we zeiden allebei tegen elkaar: misschien.” Een schaduw van de herfst moest het worden, een schim van de winter.
Vermoedelijk zocht mijn brein houvast. Alles wervelt in deze wereld, alles van waarde wordt omgekeerd. Leugenachtigheid, brute kracht, stompzinnige hebzucht, roekeloze onverschilligheid, lompe verwatenheid regeert. Zelfs in dit bijkans schaamteloos fascistische Italië probeer ik het antwoord op de vraag te omzeilen uit welk land ik kom.
Denken aan het absurdisme van Waiting for Godot geeft dat denken gek genoeg een rustpunt. De opgeblazen figuur van Pozzo is een verademing vergeleken bij de Wildersen en Trumpen in deze wereld. De figuur van Pozzo is ronduit onuitstaanbaar, maar wel een van het theater. The Theatre of the Absurd, zegt u dat wel.
In het tweede bedrijf blijkt Pozzo opeens blind. Lekker net goed! gniffel ik soms met kinderlijk plezier. Maar Beckett biedt geen hoop, ook daarvan ontmaskert hij de valsheid even genadeloos als een Zenleraar. Het tragische van het stuk is er onder anderen in gelegen dat Lucky tegelijkertijd stom is geworden. Bij Beckett overwint het goede het kwade niet. Je moet het er maar mee doen. Wat doe je als niets meer werkt? Dat is een zen-achtige paradox waar je je leven meer toe kan.
Daarheen gingen mijn gedachten allemaal op die berg bij Tramonti, in het oude dorp van de put. Die koan opgelost heb ik niet. Maar gek genoeg lukte het mij wel steeds vrijmoediger aan het Italiaanse verkeer deel te nemen. Daarvan blijkt de basisregel verrassend eenvoudig: wie er het eerst is heeft voorrang. Een dynamiek dat dat geeft! Het lijkt de politiek wel.
Plaats een reactie