
Zonsopgang in Het Twiske
‘Tabula Rasa’: een onbeschreven blad. Maar dat kan toch helemaal niet? Nee, dat kan ook helemaal niet en toch probeer ik dat iedere dag.
Mijn ontvankelijkheid voor het idee iedere dag opnieuw te willen beginnen zat er al vroeg in. Bij Van Ostaijen las ik, jongeling nog: ‘Ik wil beproeven naakt te zijn’. En ook nog: ‘Ik wil niets weten ik wil niet vragen waarom ik niet werd een postzegelkollektioneur’. Maar: ‘Ik wil bloot zijn en beginnen’. Dat vond ik aardig geformuleerd, al kostte het me wel een aantal jaren studie om er achter te komen hoe dat nu zat met dat postzegels verzamelen. Dat was natuurlijk beeldspraak, dat snapte ik zo wel. Toch duurde het nog een leven om te snappen wat mijn postzegels waren.
Nu kijk ik iedere ochtend in de spiegel en vraag mij af wie toch die man is die mij zo aankijkt. En of – ie ook een ‘oorspronkelijk gelaat’ heeft. Als me dan te binnen schiet dat je in het Zenboeddhisme na jarenlange koanstudie met die vraag onbarmhartig om de oren wordt geslagen, en ik in weerwil van mijn nogal peinzende aard in de lach schiet, en ik die lachende man in de spiegel zie, dan denk ik: was dat nou zo moeilijk? En, vreemd, ik denk dat is geluk.
Gisteren heb ik mij weer eens verdiept in Arvo Pärt ’s Tabula Rasa. Ik weet nog goed hoe die muziek mijn leven binnen kwam zeilen. Dat was net zoiets als bij Van Ostaijen, een schok. ‘Waar is de muziek?’ moeten de musici zich hebben afgevraagd toen ze het stuk voor het eerst van het blad gingen spelen. Pärt hield er inderdaad maar weinig over toen hij alle Westerse muziek tot dan toe, zo’n acht eeuwen dus, van alle overbodigheid ontdeed, óók zijn eigen kakofonieën.
Van de mens Arvo Pärt weet ik niet veel. Openhartig over zijn privéleven is hij niet. Ja, hij was gisteren jarig, ’t stond warempel breeduit in de krant, al werd dat luidruchtig overschreeuwd door berichten dat een of andere malloot een andere malloot in een steeds malloterig wordend land naar de eeuwigheid had geschoten. Of Pärt een feestje gaf weet ik dan bijvoorbeeld ook niet. Hij oogt als een nogal ernstig man. Zijn bekering tot ‘het geloof’ (het Russisch-Orthodoxe begrijp ik) lijkt mij daarop te duiden. Nou vind ik met een religieus besef niks mis maar zodra je daar woorden aan geeft wordt het weer tobben. En in ernst doet dat dan niet onder voor verzamelen van postzegels. De hemel bewaar me.
Jan Brokken geeft in zijn essay Tabula Rasa; op zoek naar Arvo Pärt (in: Baltische zielen, 2010) wat biografische gegevens die dienstig zijn bij het begrijpen van het een en ander. Hm. Ik haakte af bij het zinnetje “Hij voelde aan dat de nieuwe tijd weer even religieus zou worden als de late Middeleeuwen.’ Brokken staaft die bewering wel met argumenten en met veel aansprekende muzikale voorbeelden maar ’t blijft bij een tasten in het duister. Of bij vrome dromen. De door de Moskouse patriarch Kirill gezegende speciale operatie vanuit het voormalige tsarenrijk geeft te denken over de vrijheid van al diens buurlanden. En overigens niet alleen over de vrijheid van geloof.
Gelet op dat voorval op die campus in God’s Own Country blijkt mij van een volwassen wordend religieus besef helemaal niets. Dat kan ik ook uitvoerig met argumenten staven, jeumig jazeker van wel, uit het zogenoemde Heilige Land bijvoorbeeld, maar ook uit ons eigen land. Als je dat spelt als ‘Vaderland’ weet je gelijk dat het mis is. Vanochtend zie ik evenwel liever een lachende man in de spiegel. Is dat nou zo moeilijk? Ik blijf dit probereen.
Plaats een reactie