Het juiste moment


De kraai met de witte veren

De gemeente heeft het populierenhout nog niet opgehaald. De stapels takken en stammen liggen daar maar stapels takken en stammen te wezen. Alle blad is al verdord. Een composthoop. Een grafzerk. Ik mis het ruisen. Zelfs de wind lijkt de populieren te missen en zoekt ongedurig langs de boomsingel en de parkrand.

Om de vergelijking met de vlakten van Gaza niet al te dichtbij te laten komen neem ik mijn toevlucht tot een grapje dat zich wrang genoeg alleen in het Engels laat begrijpen: ‘Here lies a Great Composer. He started decomposing.’

Onze onderbuurman meent stellig te weten dat de toestand wel even kan voortduren en hij heeft connecties bij de gemeente. Hoe het gesteld is met de opruimingsdienst in de grote steden heeft iedereen inmiddels op het journaal kunnen vernemen. ‘Een zooitje,’ zegt hij. Maar dat gaat om ‘huisvuil’, of afgedankte huisraad. Hier moet de Divisie Groenvoorziening aan te pas komen. Men moet die diensten niet op één hoop gooien.

De kraaien intussen zwerven maar wat in de buurt rond. Toen we gisteravond bij schemering thuiskwamen zaten ze met z’n allen in de platanen achter Parkflat I. Daar had ik ze nog nooit zien rondhangen. Er was veel kabaal en daar ga je dan toch van alles van denken. Ik mis hun gebabbel ’s ochtends vroeg, hoog in hun boom, hun gekibbel, hun geflirt, hun avondlijk overleg. Die ene met de witte veren komt wel af en toe nog een kijkje nemen. Of ik nou wil of niet, steeds denk ik maar dat verweesdheid er zo uitziet.

Ik bedacht deze week dat ik wel een portret van hem zou kunnen maken – maar dan moest ik eerst mijn camera zoeken. De accu moest geladen zijn, de juiste lens gekozen, het juiste moment afgewacht. Daar hield die kraai zich niet mee bezig.

Eergistermiddag leek het juiste moment: hij nam alle tijd om zich te baden en zich zo van ongedierte te ontdoen. Het spetterde alle kanten op. Maar ik had de camera niet gereed, die lag binnen, en ook was de accu nog niet geladen. Mijn aanstalten makende bewegingen verschrikten hem en hij vloog weg. Om even daarna toch weer terug te komen. Ik had al besloten dan maar mijn mobieltje te gebruiken en nam mij voor roerloos te blijven zitten. In mijn roerloosheid blikte hij omhoog. Hij keek mij aan.

Wat er in hem omging kan ik onmogelijk weten en aan wat er zich in mijn binnenste voordeed weet ik geen taal te geven. Maar het ging ver voorbij aan woorden als dader of slachtofferschap.

Plaats een reactie