Populierenruis


Vanaf dat we hier zijn komen wonen begint mijn dag op het balkon. Ik zie het dan dageraad worden, luister naar de vogels, de houtduiven, de kraaien, de specht, ik luister naar de wind in de populieren. Wat de wind in de bomen fluistert is heel wat belangwekkender dan de verhaaltjes die uit mijn binnenste opwellen –  populierenruis verveelt nooit.  Als de geluiden van de ontwakende stad het overstemmen breek ik op.

Toen we bij de notaris de sleutel van ons appartement hadden gekregen en we voor het eerst zelf de deur openden overheerste onzekerheid: was dit het echt? En ook: er moest nog zoveel aan gebeuren. Maar toen ik de deur van het balkon opende viel die twijfeling meteen weg. Ik hoorde de populieren voor ons huis ruisen, de laatste dag van april was het, vijf jaar geleden. De populieren stonden al volop in blad maar eind april zijn die nog zacht en ritselen amper. Babystemmetjes. Nu, na de zomer, zijn ze hard, ze knisperen en vertellen al van de herfst. Af en toe laten blaadjes los. Ze vormen lichtvlekjes op het gras als de zon er op schijnt.

Het moet met mijn vroegste jeugd te maken hebben. Voor het huis waar ik opgroeide was een groot gazon en dat gazon was omzoomd met hoge populieren. Aan onze zijde waren de winkels, aan de overkant woonden de ambtenaren. Tussen kerk en domeinenkantoor speelde alle kinderen tussen die populieren boompje wisselen. En ’s avonds viel ik onder de zoldering in slaap terwijl ik die bomen door het openstaande raam buiten hoorde ruisen. Of hoorde jammeren als de najaarswinden er doorheen joegen. Langs alle wegen van de Wieringermeer stonden ze, ik mat hun onderlinge afstand met het tellen van de keren dat ik mijn pedalen rond trapte. Dat gaf het ritme die de eindeloosheid van die wegen overzichtelijk leek te maken. Het ruisen van de populieren gaf de klank, de toon, de melodie. Zo ontstond poëzie.

Vorige week hoorde ik van de onderbuurman dat de populieren gekapt zullen worden, misschien morgen al. Die buurman heeft connecties bij de gemeente; ook heeft hij zonnepanelen op zijn terras. De nagenoeg blinde bovenbuurvrouw verheugt zich op een lichter huis. Over de strijd die voor het verlenen van de kapvergunning geleverd is valt een grimmig boek te schrijven. En dat in een tijd dat de wereld in brand staat, kinderen in Gaza verhongeren, de mensen in Oekraïne moedeloos raken, vrouwen hun rechtmatige veiligheid opeisen als ze ’s nachts eens door de bosjes fietsen.

Ik zou pas een populist zijn als ik dat deed, viel me vanmorgen in toen ik met die opkomende grimmigheid mijn verdriet om het gemis van de populierenruis poogde te bestrijden. Op dat komende verdriet had ik al een onbekrompen voorschot genomen.

En toch –  ik zou willen dat iedere burgemeester, iedere volksvertegenwoordiger, iedere leider van willekeurig welk land populieren voor het huis had staan waar – ie ’s ochtends vroeg even naar luisterde.

Plaats een reactie