Kronkelweg


Budapest, Széchenyi-Lánchíd: de Kettingbrug verbindt het oudere Buda met het jongere Pest

In 1990 woonde en werkte ik in Budapest: vanuit Buda de beroemde Kettingbrug over naar Pest en dan een stukkie rechtsaf. Op die episode in mijn leven zit een deksel maar af en toe gaat die krakend open. Putlucht. Dit wordt een schrijnende geschiedenis, zonder weemoed.

Bij Jan Brokkens verhaal Afscheid van Boedapest, in De weemoed van de reiziger (2025), schoot ik rechtop. Brokken introduceert in de eerste regel de dochter van een vrouw die erg onder de indruk was van Bartók Béla. Over die componist gaat zijn verhaal dan natuurlijk, en ook over die moeder, Lili Ránki, maar mij gaat het nu om die dochter, Judit Gera. Dat zal toch niet? Het zal toch wel.

Aan het einde van het verhaal schrijft Brokken: ”Lili was altijd op hartstochtelijke wijze politiek betrokken geweest. Ze fulmineerde tegen de eeuwige terugkeer van bedorven of compleet verrotte types in de Hongaarse politiek. Haar dochter spoorde ze aan Hongarije te verlaten.” Maar die deed dat niet. In 1990 was zij mijn collega. Daarna promoveerde zij op Van Eeden, vertaalde Nederlandse klassiekers in het Hongaars en werd hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in Budapest. Ze werd ook nog Ridder van Oranje-Nassau en ontving de Martinus Nijhoffprijs. Nou ja, een hele staat van dienst. Maar toen was ik haar al lang uit het oog verloren.

En nu? Brokken vraagt aan het eind van het verhaal waarom zij de raad van haar moeder niet had opgevolgd en in Hongarije was gebleven. ”’Tot mijn grote spijt,’ zegt ze nu, met de bitterheid van een zeventigjarige die tot de slotsom komt dat ze eens een prachtkans heeft laten liggen.” Bitter? Hoezo, na al dat eerbetoon?

De geschiedenis van Hongarije is complex en het vergt een boek of wat om helder te krijgen wat ik daar toen deed aan de Eötvös Loránd Universiteit. Ik was daar in verband met een Europees ‘uitwisselingsproject’ en voor vanochtend moet maar even volstaan dat in 1990 voor het eerst vrije verkiezingen in Hongarije werden gehouden en dat de ster van Viktor Orbán toen net rees binnen de Fiatal Demokráták Szövetsége, de Fidesz. 

Hoe het nu met de vrijheid in dat land aan de Donau gesteld is kan iedereen weten die de krant wel eens leest. Maar toen, in dat academische milieu waarin ik verkeerde, wilde iedereen van mij weten wat dat was: democratie. Hoe werkte democratie? En ik maar lullen over de bezetting van het Maagdenhuis, waarmee student en arbeider meenden de brug naar de vrijheid geopend te hebben. En niet alleen de academische. Pff, al die gedoctoreerden daar hadden maatschappelijk gezien nog niet het aanzien van een eenvoudige straatveger. Nou ja, qua salaris in elk geval en hun geïnformeerdheid betrof toch uitsluitend hun vakgebied. Waarin ze dan weer wel jaloersmakend geletterd waren. Ik leek wel van een andere planeet te komen, zei Judit mij eens na zo’n avondje bij haar thuis met veel kolbász, pálinka en wodka.

’Es muss sein’. Daarmee besluit Brokken zijn relaas over Bartók en diens verkozen ballingschap in Amerika. Dat antwoord gaf Bartók namelijk op de vraag of hij het niet verschrikkelijk vond Magyarország te verlaten. Dat antwoord gaf Judit Gera’ s moeder ook, desgevraagd. Dat antwoord geeft zij misschien zelf, suggereert Brokken. Dat mag de gelaten slotsom zijn om de kronkelwegen van het leven enigszins te accepteren, bitter is zij wel. Aanvaarden is weer iets anders. Er is altijd een keuze, anders zou je steeds maar weer dezelfde steen tegen dezelfde berg op moeten duwen.

Het is gemakkelijker uit te leggen dat de Pijlkruisers heus geen lieverdjes waren, of tegen Wilders te fulmineren dat hij aan het vriendschappelijk geschurk met Orbán echt verkeerd doet, en dat die vriendschap geenszins het democratisch belang van de Europese Unie tot voordeel strekt, dan mijn eigen levensloop van verleden naar heden in kaart te brengen. Of hoe ik van de wodka geraakte.

Plaats een reactie