Wolken


Pinken in de Schermer

Omdat ik daar eens eerder heel vriendelijk was geholpen belandden wij gisteren in De Rijp bij een reparatiewinkel. Konden zij de data uit mijn vastgelopen harde schijf redden? Ik vertelde wat er voor mij zo waardevol was aan die gegevens. Nee, die had ik niet in de cloud gezet – voor mij betekenen wolken iets anders. De jongeman glimlachte, meewarig, zeker, maar ze gingen het proberen, zei hij monter, zij hadden de techniek. En ik zei maar dat ik ging bidden, ofschoon ik niet wist tot wie.

De fietsen hadden we achterop de auto meegenomen. Zo konden we een mooi rondje door de droogmakerijen maken en waar beter te beginnen dan in de geboorteplaats van Jan Leeghwater die dat allemaal op z’n geweten had. Nou ja, niet hij alleen natuurlijk maar als je zegt wij met z’n allen weet niemand meer wie er verantwoordelijk is.

Het weer was aan het veranderen, de wind kroop naar het noorden, er zeilden veel wolken over maar toch was ‘t nog warm. We zoefden langs de dijkjes van de boezemkanalen en keken neer op de Schermer, de Beemster, de Eilandspolder. We zagen ganzen, we zagen er nog meer, en een enkele buizerd die jaagde op de woelmuizen. En we lieten ons bedwelmen door de geur van pas gemaaid gras dat hooi aan het worden was.

Er waren meeuwen op het land dat net door machines omgewerkt was, trappelend naar wormen, zwaluwen scheerden in enorme aantallen over de weilanden. Maar die meeuwen. Nog steeds hoorde ik van binnen Echoes van Pink Floyd omdat mijn herinnering daar gisterochtend even achter was blijven haken. Dit had iets te betekenen, vond ik, terwijl ik de hemel afspeurde en de wolken volgde. ‘And call to you across the skies’, wie was die ‘jij’? Welke echo hoorde ik toch?

Het laat zich niet beschrijven wat er zich op zo’n middagje van binnen allemaal kan voltrekken. Ik was in de zeventiende eeuw en zag Leeghwater uitdokteren hoe hij door molens achter elkaar te plaatsen die Schermer toch droog kon krijgen, ik was weer op Wieringen in de jaren ’70 waar we met man en muis hebben geprobeerd het onheil van de schaalvergroting en de winstmaximalisatie te keren, ik was weer in Groningen waar ik mijn opleiding afrondde met een studie naar het idealisme in het werk van Nescio. Een halve eeuw geleden. Nee, het was geen melancholie. Ik verbeet mijn boosheid dat er uit pure klootzakkerigheid weer geen plan is gekomen eindelijk iets te doen aan de plasticrotzooi waarmee we deze levende aarde bevuilen. En dan nog die dwaze boerenburgerbeweging. . .

En nee, het was geen weemoed om de dingen die voorbijgaan. Toen ik voor een plas even een weiland in dook kwamen er pinken op mij af. Ik weet het niet, zei ik hen naar alle eerlijkheid. Zij hadden ook geen weet waarom ze daar met z’n allen op dat weiland bij elkaar waren gezet. Maar ze kwamen toch nieuwsgierig op mij af. Hun vochtige snoeten bevoelden mij, ze snoven mij op en ze waren mij heel nabij. Ik rook hun lijven. Haren staken alle kanten uit maar hun snoeten waren merkwaardig zacht en warm. Boe.

Ik wilde nu nog wel iets schrijven over dat ene schilderij van Vermeer, die met die brieflezende vrouw in dat blauwe jakje, uit 1663. Daar moest ik gisteren ook de hele middag steeds aan denken. Het zal ermee te maken hebben dat Vermeer die onbekende vrouw tegen de achtergrond van een kaart van Noord-Holland schildert, net die hoek van de Beemster en de Schermer die een halve eeuw daarvoor door zeventiende-eeuwse durfkapitalisten in uiterst renderend bouwland waren omgezet. En dat ze vier eeuwen later de Wieringermeer nu vol zetten met datacentra. Ook dat heeft allemaal iets te betekenen. ‘Werelderfgoed’.  Mooie boel. Mooie boe.

Van wie krijgt die vrouw een brief? Wie schrijft haar? Wie schrijf ik?

Plaats een reactie