
Beeld: Nicolaas van der Waay , Zomeravond op het Tolhuisterras aan het IJ. (1890-1891)
Voor een concert van het Ricciotti Ensemble waren wij gisteravond in de Tolhuistuin. Dat was een feest dus daar hoef ik het niet over te hebben, wie er niet bij was heeft ’t gemist. Iedereen werd er blij van. Na het feestje komt de afwas..
Iedere maandag spreek ik met Mohammad bij de pont af: dat is voor beiden halverwege. Daar zitten we dan enige tijd op een bankje en kijken wat er zich op en aan de overkant van het IJ afspeelt. Hij heeft gevaren vóór hij er in februari 2022 in de haven van Odessa achter kwam dat hij niet terug kon naar Syrië. Er is veel te vertellen. En het is niet alleen de taal die de tong breekt. Ook niet alleen de tong. Om op adem te komen drinken we daarna koffie bij Polly Goudvisch. Hoe de stad zo geworden is vormt een wat neutraler terrein en die geschiedenis intrigeert Mohammad: ‘zo jong?!’ De Arvadieten, naar het eiland Arwad waar hij vandaan komt, worden al in Bijbelse geschriften genoemd.
Telkens als ik bij de pont ben denk ik aan een prozafragmentje van Nescio. Hij nam het op in Boven het Dal omdat hij ‘graag zou willen dat u ook niet genoeg van Amsterdam kon krijgen’:
“We zaten in den avond op ’t terras van ’t Tolhuis en keken over ’t IJ naar de stad. […]
’t Was stillig, er waren weinig menschen. Er was wat geluid van glazen en kopjes nu en dan, de stad aan den overkant ademde zwakjes en onschuldig en weerkaatste zijn lila en gele lichten, die zigzagden in ’t IJ.”
Grönloh woonde toen al een tijdje ‘over ’t IJ’, aan de Laanweg. Dichtertje, dat hij net had afgekregen en dat nu met De Uitvreter en Titaantjes in boekvorm was verschenen wachtte op erkenning. Dat zou nog jaren duren. En Nescio wachtte vooral op nieuwe inspiratie. Een roman misschien? Maar die kwam er nooit. Het fragmentje gaat over wachten. Ik wacht altijd nog soms, schrijft Nescio dertig jaar later in Feeën, na een andere oorlog (1947).
In Dichtertje komen twee verwijzingen voor naar de grotere, bittere werkelijkheid van de Eerste Wereldoorlog ten tijde waarvan het verhaal tot stand kwam. Nescio bepaalt nadrukkelijk tijd en plaats van de geschiedenis van ’t dichtertje met “In ’t derde oorlogsjaar / Bellum transit, amor manet”. Díe oorlog gaat wel weer voorbij, moet hij gedacht hebben in 1917. En verderop in het verhaalverloop bepeinst de God van Nederland: “’Hoe was hij er ook weer toe gekomen, ’t Duitsche rijk te laten stichten? Die Pruisen . . .’” Je leest er zó overheen maar onder de ironie schuilt Nescio’s diepe bekommernis. Overigens, hield Nederland zich niet afzijdig van het krijgsgewoel, zij het krampachtig?
Dichtertje gaat nadrukkelijk over de binnenwereld en voor de realiteit van het hart kan ik met Mohammad ook zonder woorden toe. Die neutraliteit van toen is lastiger te begrijpen, en ja, een eeuw geleden alweer. Hoe leg ik dat uit? Hoe waren die Britten er ook al weer toegekomen de Balfour-Declaration op te stellen? Maar dan, en vooral, onontkoombaarder en beklemmender: die hypocriete halfslachtigheid van nu? Gaza? Nee.
Toen wij na het concert in de voornacht terugfietsten door het plantsoen vroeg mijn vrouw of ik opgemerkt had dat het publiek wel erg wit was. ‘Luyendijk kwam potloden te kort om dat allemaal aan te vinken!’ Nee, dat was mij niet zo opgevallen tijdens het opgaan in de muziek. Wel deelde ik met haar het idee dat Ricciotti maar eens voor de Tweede Kamer moest gaan spelen. Ze doen dat tenslotte ook voor gevangenissen, instellingen voor de gehandicapte medemens, lichamelijk of geestelijk, AZC’s en andere amuzische oorden waar het licht maar moeilijk schijnt en waar het hart verwarmd wil worden. Ook daar wordt iedereen blij van hun onbekommerde geestdrift. En misschien komen die politici dan tot betere besluiten.
Plaats een reactie