Nog niet uitgepraat


In de zomer houdt Parkzicht I traditiegetrouw een ‘flatborrel’. Voor de gezelligheid natuurlijk, al weet ik me bij dat begrip nooit goed raad. Hoofddoel is dat we elkaar niet anoniem voorbijlopen. Of misschien ook wel omdat we dan makkelijker bij elkaar kunnen aankloppen als water of stroom mochten haperen. Of wijzelf. Of als de supermarkt ten gevolge van de waterstand onbereikbaar is. Je weet het maar nooit in deze tijden.

Nu sprak ik bij de laatste editie een man die ik wel van gezicht maar niet van zijn binnenwereld kende. De kennismaking was verrassend. Nu hij gepensioneerd was, vertrouwde hij mij toe, kwam hij eindelijk toe aan waartoe hij hier op aarde was, namelijk te bewijzen dat alle filosofie onzin is. Hij was druk doende daarover een boek te schrijven. Het vorderde, zeker, er zat schot in. En als hij nu maar . . .  Zeker.

De man onthulde in zijn jongelingsjaren filosofie gestudeerd te hebben en voor ik er erg in had moest ik antwoorden of ik wel eens van deze filosoof had gehoord die ‘zus’ had beweerd of gene filosoof die daar dan weer ‘zo’ tegenin had gebracht. Dat met die binnenwereld laat nog wel even op zich wachten, dacht ik spoedig en ik verlangde al naar de hapjes die mijn vrouw liefdevol met een bevriende flatgenote voor ons allen had klaargemaakt. Nu waren die uit zichzelf al wel koud, maar toch.

Ik dacht aan dit gesprek terug toen ik dezer dagen over een debat las tussen Bas Haring en Hans Achterhuis. Beide zijn filosoof van beroep. De een vindt het helemaal niet erg dat er af en toe een dier uitsterft, de panda of zo, de ander probeert daar dan iets tegenin te brengen, de mens of zo. Het was iets met ‘overleven’ en met ‘wonen’, lispelde mijn herinnering. Ook leek het mij opeens belangwekkend dat de ene opponent een achternaam draagt uit het levende dierenrijk en de andere uit de versteende woonsector. Vanmorgen probeerde ik het terug te vinden voor de precieze argumentatie maar het risico dat ik dan weer in mijn prullenbak verdwaal achtte ik te groot. Filosofen hebben het weliswaar zwaar, vooral in deze benarde tijden, maar het lot van een dichter is ook niet altijd te benijden, hoor.

De man van het boek dat nog niet af was, had een ongewone naam. Die was afgeleid uit het Sanskriet, vertelde hij niet zonder trots, al wist hij niet te vertellen wat die naam dan betekende. Het ontschiet me even waarom zijn ouders hem met die naam bedeelden. Nu leek het hem aardig dat als hij zijn boek zou publiceren, want de wereld moest dit toch weten nietwaar? dat zijn naam dan in het Sanskriet op de omslag zou prijken. Of ik mogelijkheid zag. Die mogelijkheid zag ik niet. Wel zag ik de bui hangen dat ook Oosterse filosofen nog een hapje wilden mee-eten. En dat de schotels op de tafels verontrustend snel leger werden. Nadat ook wij onze bordjes hadden opgeschept was een vervolggesprek opeens minder urgent.

‘Ik zou jou wel missen hoor,’ merkte mijn vrouw op naar aanleiding van mijn bespiegeling van gisteren over de eidereenden. Dat was heel erg lief maar tot de bedreigde diersoorten reken ik mijzelf niet. Ook is het nog geenszins wetenschappelijk bewezen dat ik sterfelijk ben. ‘Op welk nummer woont die man met wie ik bij de flatborrel  zo geanimeerd heb gesproken?’ vroeg ik maar, om mijn verlegenheid te verbergen. ‘Ergens op de negende, maar hoezo?’ Mijn vrouw kent mijn vrees voor grote hoogten. En ze weet dat ik niet zomaar afstap op iemand die ik niet goed ken. Maar ja, moet alles soms een reden hebben?

Plaats een reactie