AMOR FATI


De herinnering is geen archiefkast en mijn persoonlijke geschiedenis staat niet geordend als de boeken in mijn kast. Zelfs het zoeken zelf is een ordeloos proces. ’t Is een soepzootje. Is dit mijn zelfverkozen lot? Ik zocht naar mijn exemplaar van Herzbergs Amor Fati (1946) maar vond het niet. Waar, o waar gebleven?

Dat ik het nog even wilde inzien, kwam omdat mij gisteren een titel voor de haiku inviel. Niet dat haiku titels behoeven, maar deze kon toch zonder context licht worden misverstaan, al valt dat bij alle ophef over de Asielnoodmaatregelenwet misschien ook nog wel mee. Niettemin, als politici zelf al niet meer weten tot welk besluit te geraken is het uitkijken geblazen. De vijf lettergrepen ( om een le – pel soep ) voldeden. Maar waar kwam die lepel soep vandaan? Toen ik eerst ging zoeken bij Frans Pointl bleek het bij hem een kip te zijn die over de soep vloog (De kip die over de soep vloog, 1989). Dat is ook een bruikbaar beeld voor volstrekt ontoereikende voedselverstrekking, inclusief de schijnheiligheid van de zelfverklaarde weldoener, net iets om weer eens te willen lezen in deze tijden van genocidale uithongering, vermeend of onverholen antisemitisme, vreemdelingenhaat, politieke hypocrisie en andere uitgeroepen crises, maar niet wat ik zocht. Herzberg dus. En ’t zat anders. Over het creatieve proces maar een andere keer. Waar vond ik Amor Fati?

Toen hij overleed zette zijn uitgever een grote advertentie in de NRC met daarin alleen de tekst: Abel Herzberg (1893-1989), Een wijze ging voorbij. Dat van die wijsheid was natuurlijk om de eigen kachel harder te laten roken, dacht ik gemelijk, een uitgeverij is tenslotte geen weggever van wijsheden, maar toen ik het bundeltje opstellen Om een lepel soep te pakken had, verslikte ik mij danig in het opgediende. In het titelverhaal verhaalt Herzberg summier hoe hij en zijn lotgenoten tijdens hun geheel onvrijwillig verblijf in het concentratiekamp Bergen-Belsen ertoe kwamen een rechtbank in te richten. Dat leek absurd. De nazi-kampleiding, zelf zeer bedreven in ongerijmde wreedheden, aanschouwde met genoegen hoe het uitschot nu zelf nog onderscheid leek te moeten maken in de gradaties van uitschotterigheid. ‘Jedem das Seine, moeten ze welwillend gedacht hebben. O nee, dat was weer het cynische opschrift van een ander kamp.

Herzberg,  en degenen die hetzelfde gruwelijke lot ondergingen, hadden geen enkele illusie. Maar, zo schrijft hij in dat opstel: “Wij hadden uit de verloren vrijheid het gevoel meegebracht de dragers te zijn van een beschavingsfactor. Die juist onder de meest barbaarse omstandigheden en juist te midden der mensen die vochten om een lepel soep, gehandhaafd moest worden.” Het ging er helemaal niet om de daders te straffen, hoe zou dat ook nog kunnen onder die volledig ontmenselijkte omstandigheden, maar om het beschermen van de slachtoffers, om de menselijkheid. Iedereen was er ellendig aan toe, maar een enkeling maakte misschien nog een kans die hel te overleven. Ook daarover koesterden ze trouwens weinig illusie. En dan nog, wie? Onderscheid naar de idiote reden van hun detentie (jood, ideologie, geaardheid of een ander nazi-onwelgevallig kenmerk) werd principieel niet gemaakt. Boven alle wetten die ervoor moeten zorgen dat we elkaar niet uit eigenbelang de hersens inslaan, staat iets anders, de mede-menselijkheid. De lepel soep. Herzberg overleefde.

Dat verhaal van die rechtbank te midden van een rechteloze barbarij kende ik. Ik had gewoon niet meteen aan Herzberg  gedacht. Mijn herinnering bewaarde een schrijnend tafereel, verlucht met de beelden van concentratiekampen die mij ooit onder ogen zijn gekomen, compleet met een rechter, een officier van justitie, een advocaat. Had ik die dan verzonnen? Misschien beschrijft Herzberg een en ander uitvoeriger in zijn opstellen over zijn gevangenschap, dacht ik, in Amor Fati dus. Dáárom wilde ik dat checken. Als ik het boekje ooit eens aan iemand uitgeleend heb, keert het ook wel weer eens terug. Of niet. Met de wijsheid is het anders gesteld.

Plaats een reactie