Ui


Dat idee van een vijgenboombos was natuurlijk een geintje. Stel je voor! Mijn verbeelding ging weer eens met mij aan de haal. Als ik mij dat dan levendig begin voor te stellen, krijgt alles geur en kleur, en dan ga ik verder verzinnen. Voor ik het door heb tovert mijn verbeelding een utopie. Ik zag de mensen al onder het teergroene bladerdak, zonlicht scheen op hun ingekeerde gezichten. Sommigen gingen stil, ten naaste bij verzonken in hun natuurlijke staat. Sommigen praatten zachtjes met elkaar, nog onderzoekend waar de schaamte precies schuilde. Minder en minder werden er vijgenbladeren geplukt om die te bedekken. Dit zag ik helder voor mij.

Het ging niet over schuld en boete, er klonken geen verwijten, het was allemaal veel zachter, zachter dan een vogelveertje een mensenhuid kan beroeren. Ja, bedacht ik, in alles geleek het een hof van Eden. Maar dan vóór het eerste mensenpaar als ongewenste vreemdeling het paradijs was uitgeflikkerd. De wereld zou er heel anders uit zien. Waarachtig wel.

De hele gisteravond hebben we zitten praten. ‘Onder het plaveisel ligt het strand,’ bepleitte ik mijn idee. Nu zelfs van overheidswege wordt aangedrongen de tegels uit de tuinen te lichten moet dat oude idee toch een kans krijgen. Het publiek is er deze dagen wel gevoelig voor, met al die hitte die op ons af komt! Denk je eens in wat er kan gebeuren als mensen tot het inzicht geraken dat zij die zelf hebben veroorzaakt?

Ik realiseerde mij terstond de zwakke schakel in mijn fantastische redenering: ‘als’.

 Toen mijn vrouw begon over hekken en toegangspoorten en het vraagstuk opwierp wie er dan weer bij de kassa moest zitten, wist ik mijn pleit verloren. ‘Waarom richt je niet meteen een politieke partij op?’ schamperde zij, ‘of desnoods een Beweging, als je het allemaal zo goed weet? Dat is erg in tegenwoordig.’

Het dodelijkste moest nog komen. ‘Vijgen? Een oorvijg kun je krijgen! Jij hebt helemaal niks met vijgen, die onderscheid je niet eens van een ui. Jij bent een ui. Zolang als we elkaar nu kennen ben ik bezig de rokken van jouw waanzin af te pellen maar je glibbert in mijn handen. En in het binnenste zit natuurlijk helemaal niks. Maar ik moet wel de hele tijd huilen.’

Ik kan veel verdragen. Maar een huilende vrouw? Nee.

Plaats een reactie