
PSALM
O, hoe gebrekkig sluiten de grenzen van de mensenstaten!
Hoeveel wolken drijven straffeloos over,
hoeveel woestijnzand sijpelt niet van land tot land,
hoeveel steentjes rollen in provocerende sprongetjes
bergafwaarts naar vreemde landouwen.
Moet ik hier elke vogel noemen, zeggen hoe hij vliegt
of uitgerekend neerstrijkt op de slagboom aan de grens?
Al is het maar een mus –zijn staart hangt buitenslands,
terwijl zijn snavel thuis is. En stilzitten is er niet bij!
Van de ontelbare insecten beperk ik me tot de mier
die zich tussen de linker- en de rechterschoen van de grenswacht
niet geroepen voelt te antwoorden op diens ‘waarvandaan? waarheen?’
Ach, als je heel die chaos precies kon overzien,
op alle continenten tegelijk!
Smokkelt de liguster van de overkant niet net
blaadje nummer honderdduizend over de rivier?
Wie anders dan de inktvis met zijn brutaal lange armen
schendt de heilige zone van de territoriale wateren?
Kunnen we eigenlijk wel van enige orde spreken,
als zelfs de sterren niet uit elkaar te schuiven zijn
en we dus nooit zullen weten welke voor wie schijnt?
En dan nog dat verfoeilijke neerdalen van mist overal!
En dat stuiven van de steppe waar je ook maar kijkt.
alsof hij nergens recht doormidden wordt gesneden!
En die stemmen die op gedienstige luchtgolven weerklinken:
Dat gepiep dat om iets roept, gepruttel dat niets betekent!
Waarlijk vreemd vermag alleen te zijn wat menselijk is,
De rest is gemengd bos, mollenwerk, wind.
Wisława Szymborska, Grote getallen, 1976
Plaats een reactie