
Het loslaten van kanoeten, Theunis Piersma bij het NIOZ
‘We kunnen niet bewijzen dat de natuur beschermd moet worden.’ Ik schrijf de zin over omdat die zo binnen komt. Hij komt uit De ontsnapping van de natuur; Een nieuwe kijk op kennis (Thomas Oudman & Theunis Piersma, Amsterdam 2018).
Piersma was in 1980 een van de ‘kwajongens’ die ‘die het in hun kop hadden gezet dat ze de Banc d’ Arguin moesten verkennen (Koos van Zomeren). Hij is in bijna een halve eeuw uitgegroeid tot een van de meest vooraanstaande trekvogelecologen. Oudman promoveerde bij hem, als een van de velen die met Piersma als promotor onderzoek deden naar de kanoetstrandloper. Samen schreven ze dit boek om uit te leggen wat ze allemaal niet snappen. En waarom niet. Van het dominante verklaringsmodel het leven terug te brengen tot DNA blijft weinig heel. De natuur ontsnapt dat model steeds. Kijk naar kanoeten en je ziet evolutie waar je bij staat.
Als ik al die doorwrochte studies en proefschriften over die wonderlijke kanoet zou lezen, zat ik volgend jaar nog achter mijn schrijftafel te ploeteren.
Maar naast wetenschap is er wezenschap. Wie de boot naar Texel neemt ziet als eerste de gebouwen en gebouwtjes van het NIOZ. Daar doen ze allemachtig belangrijk onderzoek naar de zee en alles wat daarin leeft. En ze ‘houden er kanoeten’. Die lijken in tegenstelling tot andere trekvogels geen last te hebben van gevangenschap: je kunt experimenteel onderzoeken hoe ze nu precies voedsel zoeken. Hun maagomvang meten, en hun spieren. Met de zich razendsnel ontwikkelende technologie, ‘vederlicht’, kun je die vogels van zenders voorzien. Dat is alleen al daarom handig omdat contact met Russische collega’s in Siberië een beetje lastig is geworden.
Wie nog beter had opgelet, en naar rechts had gekeken, had het Balgzand gezien. En daarboven misschien een vlucht zwermende en zwenkende kanoeten. Deze dagen komen ze uit de Banc d’ Arguin voor de kust van Mauritanië gevlogen, zo’n vijfduizend kilometer. Dan blijven ze hier een maandje, vetten ze op, komen op krachten en vliegen dan door naar Tajmyr in Siberië, ook zo’n vijfduizend kilometer. Je verstand staat stil.
Vanuit mijn huis op Wieringen keek ik over het Balgzand, helemaal tot de vuurtoren bij De Cocksdorp. Hoe vaak stond ik wel niet bij Vatrop op dat gammele zeedijkje, amper een halve meter hoog, een zeewering kon je het nauwelijks noemen, te kijken naar het afgaande tijd, de opkomende vloed, luisterend naar de geluiden van die miljoenen vogels? Het is niet te zeggen wat er door je heen gaat als de avond valt over dat Wad en al die vogels je meenemen naar iets groters dan je benepen gedachten. Ontzag. Verwondering.
Nee, een gedichtje bewijst ook niks. Wat valt er ook te bewijzen als het er allemaal gewoon is? Het bewijzen moet je loslaten, en alle gedachten daarover ook. Dát bevrijdt. Niet de tijd gaat voorbij, maar de mens.
Plaats een reactie