Banc d’ Arguin


. . . ze naaiden modder aan het wad . . .

Koos van Zomeren was een der eersten die over de Kanoetstrandloper schreef ‘voor het grote publiek’. Zijn ontwikkeling als schrijver is boeiend genoeg maar ik wou het over de vogel hebben. Toch nog even dit: gelukkig heeft hij al zijn stukken over wat vliegt in het baksteendikke Alle vogels (2017) samengebracht. Met het even dikke Heel de natuur (2022) over wat kruipt, rent of wriemelt, lijkt hij hiermee zijn nalatenschap in een doorbladerbaar natuurmonument te hebben geordend. Meer dan veertig jaar natuurjournalistiek, dat zegt ook iets over hoe dat grote publiek iets over de natuur wilde lezen: in de marge. Eerst in het rebelse Nieuwe Revu, op het laatst in het deftige NRC Handelsblad. Maar altijd in columns. Nu ja, dat werden ook wel eens boekjes, maar dat zijn dan eigenlijk gewoon bloemlezingen van die stukjes (Het klein kanoetenboekje, 2002).

In de jaren ’80 krijgt Van Zomeren lucht van een stelletje jonge biologen ‘die het in hun kop hadden gezet dat ze de Banc d’ Arguin moesten verkennen. Kwajongenswerk, dat lukt nooit, verzuchtte menigeen hoofdschuddend  toen hun plannen in het vogelaarswereldje bekend werden.’ Het lukte wel, goddank, en van die Nederlandse Ornithologische Mauritanië Expeditie 1980 werd er één zelfs wereldberoemd: Theunis Piersma. Wereldberoemd? Het zou me niks verbazen als bij een vergelijking van het werk van Niko Tinbergen (1907-1988) en dat van Piersma’s uiteindelijk dat van Piersma nog hoger wordt aangeslagen. De trekvogelecologie, waarvan Piersma de eerste leerstoel ter wereld bekleedt, heeft onze kijk op vogels fundamenteel veranderd. Vogels maken deel uit van ecosystemen, net als de mens. Het al dan niet voortbestaan van die ecosystemen is afhankelijk van de mens. Dat is uitermate risicovol. Of onze kinderen en kleinkinderen nog kanoeten boven het Wad zullen zien zwermen en zwenken, en ‘modder aan het wad zien naaien’, is afhankelijk van wat wij nu doen.

Van Zomeren volgde die kwajongens toen en deed daar verslag van, zelf nog jongensachtig, avontuurlijk en ook nog kritisch. Wat dan opeens ‘links-kritisch’ heette. En heet, gek genoeg. Maar en passant doet hij indringende observaties: de grootste bedreiging van een van de vogelrijkste gebieden op aarde komt niet uit de Sahara maar van de naar olie borende Amerikaanse maatschappijen. En stelt hij relevante vragen: hoe komen die onvoorstelbare aantallen vogels in dit kleine gebied aan hun voedsel en waarom trekken ze juist hierheen? Wie zorgt er voor de Banc d’ Arguin?

Al in 1980 was het Van Zomeren glashelder: “de Waddenzee vormt voor steltlopers een onmisbare schakel tussen de toendra en gebieden als de Banc d’ Arguin. Iedere verdere aantasting van onze zo zwaar bedreigde Waddenzee zou zodoende ook aan de rijkdommen van de Banc d’ Arguin afbreuk doen.”

Ik nam afgelopen vrijdag kennis van de plannen van de club van Hoop, Lef & Trots om de stikstofcrisis eindelijk eens te bezweren. ’t Werd tijd. Over de bezwaren daartegen zal ik het maar niet hebben Dat lijkt ook een ander onderwerp, al is het dat niet want die plannen getuigen van een alarmerend slecht ontwikkeld inzicht in de natuur. Lazen die lui indertijd niet eens de Nieuwe Revu? Weten ze wel waar Mauritanië ligt? Of Tajmyr?

Plaats een reactie