
Trekroutes van de zes verschillende ondersoorten van de Kanoetstrandloper. De Calidris canutus piersmai is inderdaad vernoemd naar Theunis Piersma, hoogleraar Trekvogelecologie. Waar het hier om gaat is de Caladris canutus.canutus.
Dat mijn tocht naar Friesland niks zou opleveren wist ik eigenlijk zo wel. Zie maar eens thuis te komen als je waarom-vragen stelt. ‘Urbi et orbi’, en ik van de grootstad Amsterdam naar het Friese platteland, idioot gewoon. Maar wat een zegen is het zo maar vrij te mogen ronddwalen! Geen rekenschap te hoeven geven. Komen waar je komt. Wee hem, die een antwoord vindt, of die zegt ‘daarom’. Die blijft eeuwig in Pingjum hangen en ziet niks van deze wonderlijke wereld. Ik noem maar een plaats, ’t mag ook Wolvega zijn, en de hemel bewaar me als ik hiermee de Pingjumers beledig. Of eigenlijk valt Pingjum mij niet zomaar in, want mijn grootvader kwam daarvandaan. ‘Sa is it en oars net!’ hoor ik hem nog zeggen. Dat bracht hem weinig goeds maar hij wist Pingjum gelukkig te transcenderen, nee te emigreren naar de andere kant van de Zuiderzee om helemaal in de Wieringermeer uiteindelijk te gaan boeren. Als hij dat niet gedaan had was ik daar nooit geboren. Hoe ben ik nou toch in Amsterdam terecht gekomen?
Toen ik thuis op de kaart wilde laten zien waar ik geweest was ontstond er een warboel van lijntjes. Het leek nog het meest op het pannensponsje dat mijn vrouw juist voor de vaat had gebruikt. ‘Zo’ zei ze terwijl zij de boel opborg. ‘Heb je eigenlijk wel gegeten?’
Slauerhoff heb ik weer in de kast gezet. En dat dikke boek dat ik over hem zou schrijven, met veel voetnoten, en verwijzingen naar andere boeken, die weer verwijzen naar weer andere boeken, ja zelfs het Tibetaans boeddhisme moest erbij gehaald, Lao Tse en Nietzsche, dat boek kan wachten. Ik kan dwalen.
‘Heb je nog bijzondere vogels gezien, ouwe zwerver?’ informeerde mijn vrouw langs haar neus weg. ‘Nou,’ wilde ik al gaan opsommen maar ik had heus wel door dat zij mijn zwerflust van iedere transcendente zweem wilde ontdoen. Laat dat vliegen vooral aan de vogels, zoiets. Maar alle vogels zijn bijzonder, d’r is geen beginnen aan. ‘Ik was nog in Gaast,’ wel wetend dat mijn vrouw niet zou weten wat ik daar te zoeken had. Ik had een flauwe hoop gehad daar misschien Theunis Piersma tegen het lijf te lopen. Dan zou ik hem eindelijk eens persoonlijk kunnen bedanken voor al het moois wat hij over vogels te weten was gekomen, de grutto, de andere weidevogels, de vogels van de zee, de kanoet . . . Zonder hem was er helemaal geen trekvogelecologie, en waren we nog steeds bezig alleen maar naar kaartjes te koekeloeren waarop die migratieroutes ingetekend stonden. Zo’n trekroute op de kaart intekenen is wel aardig maar begrijpen doe je dan nog niks. Dat is nog eens wat anders dan een pannensponsje.
‘Hoezo Gaast?’ wilde mijn vrouw natuurlijk weten. ‘Daar schijnt Theunis Piersma te wonen. Wist jij dat er een vogel naar hem genoemd is?’ Ze zei niks. Maar in die stilte wist ik opeens heel zeker dat als ik iets zou willen snappen van al het wonderlijke tussen hemel en aarde, van alle zwerflust of zwerfdrift, van alle dwaalwegen ook, ik ernst zou moeten maken met de vogelstudie. ‘Een kanoet.’
Tja. De kanoet . . .
Plaats een reactie