Paaseiland


Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936), ca. 1926

Ik was niet de enige die wel eens naar Paaseiland had willen gaan. In Hazeu ’s biografie Slauerhoff. Een biografie (1995) trof ik de opmerking dat Jan Jacob Slauerhoff op 6 juli 1913, 15 was-ie toen en nog geen gekwelde dichter, een artikel uit De aarde en haar volkeren over Paaseiland had gescheurd om dat artikel zijn hele leven trouw te bewaren. Zoals bekend heeft Slauerhoff veel gevaren, vooral in Zuidoost Azië. Bij mij weten is hij nooit op Paaseiland geweest. ’t Zou wel wat anders zijn dan Vlieland waar hij in zijn jeugdjaren vaak en graag kwam.

Wel schreef hij twee gedichten die Paaseiland betreffen: Rapanui en Paschen. Het tweede gedicht gaat vooral over de nogal eigengereide Jacob Roggeveen, met wie Slauerhoff misschien meer gemeen had dan alleen een voornaam. Hij portretteert hem in Veere, aan het einde van diens leven. Geknakt, volgens Slauerhoff, en met de pest in dat hij indertijd niet op Paaseiland was gebleven in plaats van in het godsdienstig beklemmende Zeeland zijn laatste dagen te moeten slijten. Het kan moeilijk toeval heten dat Slauerhoff Roggeveen in de paastijd situeert: “Ieder jaar keert het Paasch, maar ’t eiland nimmermeer.”

Rapanui geeft in drie delen een schets van het eiland in de Stille Oceaan. In het derde deel laat hij de Moai met het gezicht naar zee staan. Dat staan ze niet. Kennelijk ontsproot het eiland aan Slauerhoff’ s verbeelding, waar het mythische proporties kreeg.

Romantiek?  Lijden aan de tijd? Weltschmerz? Tja. Slauerhoff had een splinter in de ziel: “nergens vind ik vree, op aarde niet en niet op zee, pas aan die laatste smalle ree van hout in zand.” Ik denk dan toch altijd eerder aan Vlieland en dan aan Paaseiland, maar dat is een ander verhaal, een liefdesgeschiedenis.

‘Het komt erop aan hoe je je verhoudt tot de tijd waarin je leeft,’ zei eens een beroemd historicus. Mij intrigeert al vanaf mijn studietijd het slot van Het leven op aarde (1934). Na een lange en gevaarlijke tocht dwars door China moet de marconist Cameron een radiotoestel in elkaar knutselen om zich het vege lijf te redden. Dat lukt. Ternauwernood. Slauerhoff had zich er terdege van vergewist dat zoiets kon. Waar het me nu om gaat is wat er uit die radio klinkt:

“Ik hoorde een man zich beroemen op de onder zijn leiding behaalde zegepraal van het gezonde mensenverstand, op een staat en orde verwoestende waanzin die de westerse wereld had bevangen, hoog opgeven van de materiële en ideële voordelen die een uitverkoren volk onder zijn leiding had behaald en nog zou behalen als het hem zijn blind en volledig vertrouwen bleef schenken, het hoefde alleen te volgen, niet meer zelf te denken. Daarna daverend geklap, gestamp, gebrul, weer muziek, mars, partijgezang, leuzengekrijs, paukengebeuk, een gehuil dat het vermoeden opwekte dat tegenstanders aan de martelpaal werden gebonden.”

Later in het verhaal davert een Duitse symfonie de zaal binnen, ‘een inundatie van klank.’ Het valt mij moeilijk niet aan Hitler te denken, die toen net de macht had gegrepen. Stalin kan ook, maar dat was niet zo’n spreker. Die moordde liever  in ‘t geniep. De reis die Slauerhoff Cameron laat maken doet verrassend veel denken aan De Lange Mars die Mao in 1934 ondernam. Hoezo ontvluchtte Slauerhoff de eigen tijd?

Hij had na Het verboden rijk (1932) nog een vervolg op Het leven op aarde voor ogen maar heeft dat nooit voltooid. Omdat, zo schrijft hij ergens, hij er zich nog niet rijp genoeg voor achtte. Spirituele stagnatie?

Het valt mij ook niet moeilijk in het citaat aan andere namen denken, aan hedendaagse machthebbers. En ik zie Slauerhoff knikken. En ik zie dat hij mij ziet zitten achter mijn schrijftafel, op deze tweede paasdag, luisterend naar de radio waaruit weerzinwekkende berichten klinken uit Gaza, uit Oekraïne

Plaats een reactie