
Als kind had ik het raadsel op te lossen waarom Pasen ieder jaar op een andere datum viel. Ra ra. Hadden die Romeinen dan niet bijgehouden wanneer ze oproerkraaiers, moordenaars, onverbeterlijke dieven of ander uitschot kruisigden? En verder: hoe zat dat nou met die eieren?
Met Kerst leek dat tenminste duidelijk, al vond ik het zeer verdacht dat die herdertjes in ijzige vrieskou in het veld hun schaapjes lagen te tellen. De Christelijke traditie waarin ik opgroeide wimpelde mijn vragen weg. ‘Het is nu eenmaal zo’ leidde alleen maar tot de vervolgvraag ‘maar hoe weet je dat dan zo zeker?’ Twijfel aan alle claims was geboren. Die vraag bleef ik stellen. Laat ik mijn verdere weg maar kort houden: met een zekere deemoed en onverschrokkenheid is wonderwel te leven vanuit het besef dat ik het niet weet.
Op 5 april 1722 ontwaarde Jacob Roggeveen aan de horizon van de grote zeeën die hij bevoer op exact 2707’12”ZB, 109021’0”WL een eilandje ter grootte van Texel. Verder weg van de wereld kon niet. ‘Paaseiland’, noemde hij het, ’t was immers Paasochtend? Tegenwoordige bewoners noemen het Rapa Nui, (‘grote rots’)of Mata ki te rani (‘Ogen die naar de hemel kijken’). Of met die laatste aanduiding de mensen bedoeld worden, dan wel de beroemde Moai is mij niet helemaal duidelijk. Roggeveen zal die immense beelden wel geen ‘paasbeelden’ hebben genoemd, want die mensen waren natuurlijk heidenen. Bekeren was van later zorg. Hij moest gauw verder met het ontdekken van het Zuidland. Maar hoe kwamen die mysterieuze beelden daar? En waarom waren die ooit zo belangrijk? De bevolking was gering in aantal, het eiland nagenoeg boomloos, transportmiddelen ontbraken. ‘Die waren daar naar toe gewandeld,’ wisten de bewoners. Maar dat was net zo waarschijnlijk als dat een haas uit een ei kruipt.
Wat er daarna gebeurde met het raadsel is te mooi om waar te zijn. Mme Blavatsky orakelde in De geheime leer (1888) iets over verzonken continenten en gevallen engelen. Theosofen begrijpen dit. Thor Heyerdahl kwam met een onwaarschijnlijk verhaal over Langoren en Kortoren, en heel veel strijd (Aku aku: het geheim van Paaseiland, 1957). Je moet avonturier zijn en in grootse verbanden denken om hem te kunnen volgen. Erich von Däneken zocht het in Waren de goden kosmonauten? (1968) in de ruimte. Als je aan de drank bent, wappie, of net zo’n liefhebber van sciencefiction als Elon Musk, stel je verder geen vragen. Hup, de ruimte in!
Een samenhangende, aardse theorie geeft Jared Diamond in Ondergang; waarom zijn sommige beschavingen verdwenen en hoe kan de onze haar ondergang voorkomen? (2004). Hij heeft 50 pagina’s nodig om uit te leggen hoe die vroeg-Polynesische beschaving zichzelf kon vernietigen door roofbouw te plegen op haar eigen hulpbronnen. Verklaart hij nou die beelden? Nou nee. Maar naast ecologisch onderzoek was het Diamond vooral te doen om de boodschap die in de ondertitel van zijn studie verstopt zit. Paaseiland is een metafoor voor de huidige milieucrisis: zo Paaseiland, zo de wereld. Pas op!
Rutger Bregman is ook gevoelig voor metaforiek. Rutger Bregman is ook een leraar. In Wat er echt gebeurde op het mysterieuze Paaseiland (en wat we daar vandaag nog van kunnen leren), (De Correspondent, 16 november 2017) gaat hij in op allerlei theorieën. Bregman zou niet het zelfverklaarde licht der wereld zijn als-ie niet uitkwam bij de meeste mensen deugen. In het gelijknamige boek (2020) gaat hij verder puzzelend in op het raadsel van goed en kwaad in de wereld en hoe het kwaad overwonnen kan worden. Er is hoop!
Ik zou ook wel eens naar Paaseiland willen gaan. Ik zou daar naar de zee willen kijken en het eiland dat die immense zee omsluit. Haar mensen. En ik zou mijn ogen ten hemel richten en misschien Mata ki te rani mompelen. En het zou mij in het geheel niet deren dat niemand dat begreep. Ikzelf ook niet.
Plaats een reactie