Dicht bij huis


Als het net zo’n beetje licht wordt hoor ik hier op het balkon de koolmezen volop in de weer. ‘Klinkt als een fietspompje,’ lees je in vogelboekjes. Mijn associatie is altijd dat ze aan het scheidsrechteren zijn in een geheimzinnige wedstrijd die zich ergens tussen de struiken voltrekt. Alleen koolmezen kennen de spelregels.

Beide kwalificaties zijn even antropocentrisch gedacht, maar dat deert die vogels geen hondenhaar. Ze zijn nu druk doende met paarvorming, er moet een nest ingericht worden, eind van de maand staat gezinsuitbreiding op het programma. Het vogelhuisje op de foto valt beslist af als broedplek: véél te veel in het zicht. Wat mensen met die rare vormgeving bedoelen moeten ze lekker zelf weten, zullen de mezen menen: Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral.

De koolmees komt overal voor waar mensen zijn. En bomen staan. Of in bomen opgehangen nestkastjes. Voeren hoeft helemaal niet want zij weten zelf uitstekend wanneer er genoeg rupsjes zijn om nageslacht groot te brengen.

Net als de mus komen ze jaarrond voor en het lijkt wel goed te gaan met de koolmees, met de mus iets minder. Beide vogelsoorten zijn cultuurvolgers, zoals dat heet. Hoe is met onze cultuur?

Een recente bevinding geeft te denken. Peter Lindenburg, lector analytical biosciences van de Hogeschool Leiden, vond wel erg veel dode koolmeesjes in zijn achtertuin. Hij aan het onderzoeken of dat misschien te maken kon hebben  met vlooienbandjes van huisdieren. Mezen benutten immers graag hondenharen voor hun nestjes? Die vinden ze overal in het park want hondenharen in huis is maar vies.

Van het een kwam het ander en er is nu ineens een heus ‘citizen science approach – project’ opgestart: Meet de mees. De uiteindelijke bedoeling is om te weten te komen in hoeverre bestrijdingsmiddelen in onze directe leefomgeving voorkomen.  

Citaat van de website waar je je als burger kunt aanmelden om deel te nemen aan dit initiatief: “Om duurzaam gebruik van de onderzoeksresultaten te garanderen zal het MdM-consortium een biobank voor eieren en nestjongen van koolmezen aanleggen ten behoeve van toekomstig onderzoek naar de aanwezigheid, transmissieroutes en effecten van bestrijdingsmiddelen in relatie met biodiversiteit en volksgezondheid.” [https://www.hsleiden.nl/onderzoeken/project/meet-de-mees]

Het is niet moeilijk wat lacherig te doen om het gewichtige taalgebruik. Maar even aan pfas denken kan je blik doen kantelen. Werd trouwens niet onlangs nog gedemonstreerd tegen bestrijdingsmiddelen vanwege het voorkomen van de ziekte van Parkinson? En wat hiervan te denken: een veldbioloog had eens aan Lindenburg gevraagd om te onderzoeken of er DDT in de eieren van de boerenzwaluw zat. Dat bleek inderdaad zo te zijn. In Afrika wordt dat middel nog steeds gebruikt, onder andere om malaria te bestrijden. In Nederland is dat middel al sinds 1973 verboden. Toch bleken die boerenzwaluweneieren resten te bevatten van Nederlandse DDT.

Dit roept het boek van Rachel Carson in gedachten, Silent Spring (1962). Dat het recent weer in vertaling is uitbracht (Verstild voorjaar) geeft te denken over de niet afgenomen urgentie van het probleem. In het nawoord (‘De formidabele Carson’) geeft de vertaler summiere informatie over de kolossale weerstand die Carson ondervond vanuit de wetenschap (wat kan die vrouw daarvan weten?) en vooral de belanghebbende chemische industrie (‘haar boek is giftiger dan de pesticiden die ze veroordeelt’).

In een tijd waarin zelfs de meest respectabele instituten moeten vrezen voor hun voortbestaan omdat hun wetenschappelijke conclusies de toevallige machthebbers niet welgevallig zijn, moet je een antwoord hebben om de politieke zwakzinnigheid het hoofd te bieden.

Een vervuilde omgeving duidt op een vervuilde geest. Als je die vervuiling in kaart kunt brengen, is er misschien ook iets aan de geest te doen. Onderzoek begint heel dicht bij huis. Bij de koolmezen.

Plaats een reactie