Grondig (2)


Terloops maakt ik gisteren onderscheid tussen ‘wereld’ en ‘aarde’. Omdat ik me voorgenomen heb de kwestie grondig te onderzoeken eerst maar eens een inspectie van de woorden. Ik heb altijd gedacht dat ik dat onderscheid wel bij Nescio opgedaan zou hebben: ‘Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar op ons’ (Titaantjes). Nescio schreef dat meer dan een eeuw geleden, ik las dat een halve eeuw geleden en dronk dat gretig in. Toen was het nog ‘en vogue’ iedereen die een pak droeg en geregeld naar de kapper ging te verachten omdat ze ’t verkloot hadden, de wereld met hun chemische industrieën, en de aarde met hun gerationaliseerde landbouw. Een IJzeren Gordijn belette verder alle uitzicht. In de Wieringermeer zag je door alle gifspuiterij nauwelijks nog buizerds of kiekendieven, als je één leeuwerik hoorde was je al opgetogen. Overal kwamen ze mee weg, die lui van het militair-industrieel complex maar ze hadden het wel voor ’t zeggen. En daarom keken we maar hoe de zon opging boven het Wad, luisterden naar de tureluurtjes. Zoiets. Ach. O ja, en verliefd waren we ook nog.

Maar nu blijkt opeens dat David van Reybrouck, de pas geïnstalleerde Denker der Nederlanden, al in zijn eerste pennenvrucht in functie precies dát onderscheid maakt: De wereld en de aarde; hoe houden we het veilig? Het essay is pas verschenen, ik heb het nog niet gelezen maar hoorde Van Reybrouck er al wel op de radio over vertellen. Of hij affiniteit met Nescio heeft weet ik niet maar toen hij over zijn jeugd vertelde, en memoreerde hoe hij in het landschap rond Brugge ronddwaalde, en hoe hij genoot van de rijen populieren die daar overal langs de wegen en de dijkjes staan, en opging in het geruis, liep ik opeens zelf weer langs de vaart van Damme naar Brugge, wat ik vaak gedaan heb. Ik hóórde in zijn stem de populieren ruisen. Populierenruis. Kijk, dacht ik, verwantschap.

Hij vertelde hoe híj aarde en wereld had leren scheiden. De globe die hij als kind voor zijn verjaardag had gekregen had een lampje. Als je dat uit liet zag je de bergen, de landschappen, de rivieren, de lage landen bij de zee waarin ook hij opgroeide. Met de lamp aan verscheen de wereld staatkundig, met landsgrenzen en door de mens bedachte indelingen. Toen bestond België opeens. Dáár ging iets mis, wist hij toen al.

Daar gaat het mis. De wereld, dat is het eindeloze gesoebat over stikstof, het gedraai en gekonkelfoes, het schaamteloos gelieg en het wegkijken, het wegredeneren, het wegdenken, het gesteggel over wetten en regels. De aarde, dat is een afgepast weiland vol Engels raaigras en koeien die niet weten of ze van vreugde zullen dansen nu ze eindelijk weer naar buiten mogen of moeten loeien van verdriet, van opstand, van wrok, omdat ze zolang opgesloten hebben gezeten en nu weer aan winstmaximalisatie moeten meewerken.

Aarde en wereld zo tegen over elkaar zetten is misschien niet het allerverstandigst, dat polariseert zo makkelijk. Cultuur en natuur tegenover elkaar zetten evenmin. Of lichaam en geest, hart en verstand. Toch snapt iedereen dat meteen. De cultuurhistoricus Van Reybrouck zal beseffen dat  die populieren aan de Damse Vaart daar niet uit zichzelf zijn gaan staan.

En toch en toch. En toch.

Plaats een reactie