
Beurs van Berlage: Beidt uw tijd
’t Zal komen doordat er deze maand weer eens iets van Nescio gepubliceerd is wat we nog niet kenden, Zingen in het donker, dat ik zijn novellen weer eens ben gaan doorbladeren. Dat is de ontmoeting met een oude vriend die ik lang niet zag. Af en toe stok ik: staat dat er echt? Of: heb ik daar altijd over heen gelezen?
Dat overkwam me al op de eerste bladzijde van Titaantjes (1915). Na de toonzettende introductie, “Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf” volgt een alinea wat die jongens dan allemaal zouden doen. “(Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde afbreken). Ploeger wilde zijn baas z’n eigen klokken laten inpakken en er bij gaan staan met een sigaar in z’n hoofd en vloeken op die kerels die nooit iets goed konden. ( . . . )”. Dat van die kantoren afbreken was duidelijk. Een eeuw later zong Hang Youth LEG DIE ZUIDAS IN DE AS. De Titaantjes van deze eeuw. Maar waarom die klokken? Ik las die mededeling altijd alsof het ook koekjes hadden kunnen zijn. Of badeendjes. Pantoffels.
Wraakzucht. Daar kon ik in komen, al heb ik dat nooit fraai gevonden. Rancuneuze politiek is tenslotte akelig om te zien en nog akeliger om daar onder te moeten leven. Kijk maar naar Amerika.
Bij Nescio is dat allemaal oneindig veel milder: “O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen, wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden” memoreert hij in het derde hoofdstuk. Dat ook dat ‘’het einde, dat meteen ’t begin zou wezen’’ niet naderbij brengt heeft andere oorzaken. Om die maar even volstrekt nietszeggend samen te vatten: dat komt door het menselijk tekort.
Tijd speelt in het werk van Nescio een belangrijke rol. Als je er op gaat letten, valt opeens op hoe vaak wel niet. In Dichtertje (1918) laat Nescio de God van Nederland aan het eind van het eerste hoofdstuk zuchtend een manuscript lezen ‘van een dik boek over ’t Taylor systeem’. Dat is de opmaat van het schrikbewind van klok en uur. Vandaar die klokken waarmee Ploeger zijn baas wil straffen.
In hetzelfde hoofdstuk ook het andere uiteinde van tijd. De duivel kijkt naar de stationsklok: “Tien minuten over zevenen. Hij gaapte achter z’n hand. De eeuwigheid schoot niet op.” Dat is dan overigens wel een iets andere eeuwigheid waarin Nescio verschillende van zijn verhaalpersonages af en toe laat opgaan: Japi, Bavink, Koekebakker, Janus, De Oester. En hemzelf. Dáár is het hem om te doen: “zoo en passant wat wolken en zoo voor eenige eeuwen te fixeeren” (inleiding op Boven het Dal)
Ten tijde dat Nescio die novellen schreef was er in de wereld van alles gaande om de tijd te standaardiseren. Ik ben nu even te gemakzuchtig om uit te zoeken wanneer ’t precies was. Het is zo ook wel duidelijk dat toen de moderne tijd zo ongeveer begon. Modern Times, zoals dat heet in de Amerikaanse satire uit 1936 van Charley Chaplin. Die gekkigheid duurt nu al een tijdje.
Gisteren werd de klok weer op zomertijd gezet. Een van mijn privileges is dat mij dat om het even is. Ik hoef niet meer naar een baas. Het schrikbewind van de schoolbel ligt achter mij en voor mij telt alleen het ritme van dag en nacht, het komen en verstrijken van de seizoenen. Dat diskwalificeert mij evenwel ook in de discussie over de zin of onzin van winter- of zomertijd. En toch zint het mij niet dat de president van de Verenigde Staten van Amerika alleen maar in wintertijd wil regeren. Ik denk dat dat komt doordat-ie zo bazig doet. Kunnen ze die Trump geen klokken laten inpakken? Of misschien komt het ook wel door de notie van ijstijd die in wintertijd doorklinkt. Ik wacht het maar af. En overigens, ik lees wel vaker iets verkeerd.
Plaats een reactie