
Beeld: Laura Groenhart, landschap van de ziel, 2013
Ik houd erg van gedichten. Ik houd ook erg van deze lage landen bij de zee. Maar nu dit weer: vanaf deze week zal de eretitel ‘Dichter des Vaderlands’ worden vervangen door ‘Dichter der Nederlanden’. Had ik dan een vaderland?
Toen Gerrit Komrij (1944-2012) in het jaar 2000 van onze jaartelling deze titel aanvaardde was ik bedacht op ironie. Met die stijlfiguur gevoelde ik mij wel thuis dus ik sloeg er onbekommerd verder geen acht op. Komrij ’s vaderland kon voor mijn part ook het mijne zijn: “Er is een fabeldier dat ‘Komrij’ heet, / een wonderlijke naam voor zoiets aardigs / ( . . . ) / Hij is een hond, niets meer. Zijn hele leven / zal hij een wezen zijn ‘dat steeds begrijpt’. / Alleen diep in de nacht jankt hij soms even, / daar een geheime pijn zijn strot toeknijpt.” Kijk, zo’n dichter die ook zichzelf op de korrel neemt, die mag ironisch spreken namens mij. Terwijl er héél veel dingen nu net niet namens mij gedaan of gezegd mogen worden. Maar ik beperk mij nu even tot de poëzie.
Het lachen is mij op het vlak van de ironie wel vergaan. Kom nou niet aan met ‘dat is de tol van de democratisering van het poëtisch instrumentarium’, want voordat we er erg in hebben zitten we dan in een dobberend debat over de culturele elite. Daar is geen enkel land mee te bezeilen. Satirici klagen steen en been dat de huidige politici hen het brood uit de mond stoten: het clowneske van hun gedrag is dermate geprofessionaliseerd dat een parodie het niet háált bij het origineel
.
Het epitheton des Vaderlands vervangen door der Nederlanden laat misschien zien dat het de huidige dichteres Babs Gons (én met haar de Fotograaf, Theoloog, Componist, Denker, Stripmaker der Nederlanden) ernst is. Weg met die ironie! Oprekken die grenzen! Inclusiviteit! Ik vraag mij af of het helpt. Zolang er staatsgrenzen in het geding zijn blijft het aanmodderen, of je moet al politiek willen bedrijven. Maar volgens mij is dat nou net ironie in ’t kwadraat.
Ik liep in mijn geheugen de dichters na die mij lief zijn. Van wie heugde mij nog een gedicht waarvan ik het gevoel had dat dat iets zei over deze lage landen bij de zee, waar ik toch intens van houd en waarvan ik de taal nu al aardig spreek? Natuurlijk gaat het dan om het landschap van de ziel. Ik kwam op deze:
D E V O O R P O S T
Mijn belegerd leven lijkt soms een voorloopige
Vestiging voor een toekomstig rijk;
Ik moet het houden, doe vaak wanhopige
Pogingen om ontijdig op te breken,
Als ik lijd aan ’t heimwee naar de zalige streken
Die ik verdedig en zelf nooit bereik.
J. J. Slauerhoff, Serenade, 1930
Plaats een reactie