Grenzeloos


HEMEL

Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel.
Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten.
Een opening en niets daarbuiten,
maar wijd open.

Ik hoef niet te wachten op een heldere nacht,
noch mijn hoofd in de nek te leggen,
om de hemel te beschouwen.
Hij is achter de rug, bij de hand en op de oogleden.
De hemel omwindt me strak
en tilt me van onderen op.

Zelfs de hoogste bergen
zijn niet dichter bij de hemel
dan de diepste dalen.
Op geen enkele plaats is meer hemel
dan op enige andere.
De hemel drukt even absoluut
op een wolk als op een graf.
De mol kan zich even hemels voelen
als de uil die zijn vleugels wiegt.
Een ding dat in de afgrond valt
valt van hemel in hemel.

Korrelige en rotsachtige,
vloeibare, vlammende en vluchtige
lappen hemel, kruimels hemel,
vlagen hemel, stapels.
De hemel is alomtegenwoordig
zelfs in het onderhuidse duister.
Ik neem hemel op, scheid hemel af.
Ik ben een val in een val,
een bewoonde bewoner
een omhelsde omhelzing,
een vraag in antwoord op een vraag.

De scheiding tussen aarde en hemel
is niet de juiste manier
om aan dit geheel te denken.
Ik kan er alleen mee overleven
op een preciezer adres
dat sneller is te vinden,
als ik gezocht zou worden.
Mijn bijzondere kenmerken zijn
geestdrift en vertwijfeling.


Wisława Szymborska, Einde en begin, 1993

Plaats een reactie