Teleurstelling


Gisteren wiekelde ik. Ik zocht de tegenwind en probeerde op één plaats in de oneindige luchtruim te blijven, hangend boven het veld, mijn oog gericht op de prooi die ik wilde verschalken. Ik voelde mij een torenvalk. Ik was een torenvalk. Even.

Met één oog volgde ik de verrichtingen van de Kamerleden. Zij debatteerden over de plannen van de minister die gaat over het stikstofprobleem. Het is een groot probleem. En maar een kleine minister. De Kamerleden vielen over haar oplossing. Ze vonden dat de minister (heus niet alleen voor de Landbouw maar ook voor de Natuur) de boeren een halfdode mus had voorgehouden. Daar ben ik het, geloof ik, wel mee eens maar dat van die halfdode mus vond ik een beetje zwak. Zowat het hele vogelrijk tuimelt amechtig uit de lucht.

Mijn andere oog las in Koos van Zomeren ’s  Het verlangen naar klapekster (2014). Dat zijn notities van de tochten die hij drie opeenvolgende winterseizoenen maakte in de buurt van Arnhem om klapeksters te zien. Dat waren er niet veel. Hij vond er wel, maar niet veel. Dat wist Van Zomeren ook wel, het laatste broedgeval is uit 1999. Maar toch, de hond moest ook uitgelaten. En een schrijver wil ook iets te doen hebben. Zijn verheugdheid er toch weer een gezien te hebben is aanstekelijk Daar veerde ik van op. Maar toch. Dat zijn boek in de ramsj ligt is uit economisch oogpunt begrijpelijk. Wie bekommert zich om een klapekster?

Ik heb ooit zelf wel eens een klapekster gezien, dacht ik. ’t Was ergens op de Veluwe, een heideveld. Van Zomeren zal het kennen. Ik kende de vogel nog niet en moest een vogelgids raadplegen:  Zien is kennen. Toen was – ie al zeldzaam. De vogel was te ver weg om ‘m met zekerheid te determineren. Een vogel ken je pas als je oog in oog staat. Eigenlijk heb ik meer een vermoeden dat ik toen een klapekster heb gezien. Ach, ons geheugen.

Het  Kamerdebat heb ik uitgezet.

Plaats een reactie