
Foto grutto: LC/Jan de Vries
Van wie is de grutto? Van ons natuurlijk! Dat is toch onze nationale vogel?! Dank je de koekoek. Dat kunnen ze in Senegal net zo goed zeggen want in die streken huist hij het andere halfjaar, als ze hier niet broeden. Of op IJsland, want daar broedt-ie ook. Eerdaags annexeert-ie Groenland en aan wat er dan staat te gebeuren durf ik vanmorgen niet eens te denken.
Je hoeft ook heus geen esoterische cursus onthechting te volgen om er achter te komen dat bezit de bron van veel ellende is. Waarom gaat het zo allerbelabberdst met de Kening fan ‘e Greide?
Nu niet tegenwerpen ‘slecht? Man, ze zijn dit weekend al gesignaleerd! Op het landje van Geijsel, een stuk of vijftig en er komen er nog veel meer! Dappere dodo’s in die kou. Nog even, en dan roepen ze hier weer boven de weilanden in het Waterland achter huis.’ Uit dat soort anekdotiek ontstaat geen wetenschap, vraag dat professor Piersma maar.
Ik zal nu helemaal maar niet over politiek beginnen, ik wil ook nog iets van mijn dag maken. Maar twee zaken zeuren aanhoudend. Onder mijn schedeldak relativeren mijn gedachten telkens de teloorgang van deze vogel: ‘ach, als je zaken in geologisch en evolutionair perspectief zet . . . de dino’s zijn toch ook uitgestorven en is de huidige vogel trouwens zelf geen dino?’ In mijn gemoed speelt iets anders: ik kan zo naar het roepen van de grutto verlangen. ‘Ach’, zegt mijn vrouw vanuit de keuken, ‘in de winter wil je de bosuil horen en als je dat dan is gelukt zwijmel je versjes over de merel. En nu weer de grutto. Daar bestaan cursussen voor hoor, Leren Leven Met Verlangen.’ En anders moet je maar eens bij D-reizen kijken.’ Keihard is ze.
Ja, ik verkeer in een staat van arren moede. Of is het in een staat van armoe? Of allebei tegelijk? Zelfs dat weet ik niet. Ik zoek een pleister voor mijn wonden, zelfs als die niet helpt:
De komst van de vogels
Dit voorjaar zijn de vogels weer te vroeg teruggekomen.
Verheug je, verstand, ook het instinct kan zich vergissen.
’t Zit te suffen, ziet niets – en ze vallen in de sneeuw,
komen ellendig aan hun einde, een einde niet te rijmen
met de bouw van hun keel en hun volmaakte klauwen,
hun degelijke kraakbeen en hun precieze huidplooien,
het stroomgebied van het hart, de doolhof van de darmen,
de nis van de ribben en de wervels in hun prachtige enfilade,
de veren, die een zaal in het museum van het oerambacht verdienen,
en de snavel met zijn monnikengeduld.
Dit is geen klaagzang, dit is alleen verontwaardiging
omdat een engel, van authentiek eiwit gebouwd,
een vlieger met klieren uit het Hooglied,
één in de lucht, ontelbaar in de hand,
weefsel voor weefsel als een klassiek drama
verbonden tot een eenheid van plaats en tijd
in het applaus van de vleugels – valt en naast een steen komt te liggen
die op zijn archaïsche en onbehouwen manier
het leven ziet als een reeks mislukte proeven.
Wisława Szymborska, Einde en begin. Gedichten 1957-1997 (1967)
Plaats een reactie