Vriendschap


Jopie Huisman (1922-2000), Vriendschap, 1976

‘Het schilderij Vriendschap van de Friese schilder Jopie Huisman gaat naar het gebouw van de OESO in Parijs.’ Dat mocht in de krant. Het kwám in de krant, anders zou ik ’t niet weten. Daar sloeg ik op aan. Zeven blafjes en een hondenfluitje:

  1. Mijn moeder kende Jopie Huisman. Die zat een klas lager op de lagere school in Workum, waar zij honderd jaar geleden opgroeiden. Aap Noot Mies, hoepels en tollen. Ze herinnerde zich dat met enige levendigheid, toen Huisman naam begon te maken, een eigen museum kreeg en zijn schilderijen aardige prijzen deden. Als zij op hoge leeftijd daarover sprak had ik altijd grote moeite in haar stem te onderscheiden: trots, weemoed, deernis, wedijver, jaloezie, ontgoocheling, berusting
  2. Fries? Welke andere taal? Iedereen sprak Fries, behalve mijn moeder die Hollands ging leren toen ze met haar ouders naar de Wieringermeer emigreerde. Voor Huisman was de verhuizing naar Herbaijum al een wereldreis. ‘Hoe kleiner de wereld, hoe groter mijn geluk,’ moet hij ergens gezegd hebben. Er is een biografie, misschien staat het daarin.
  3. Dat Huisman goed kon tekenen wist hij al vanaf de lagere school. Dat vond-ie eerste gewoon, later een bijzondere gave, een geschenk. ’t Werd pas serieus toen hij aan de grond zat. Voor de kost dreef hij toen een handel in lompen en oud ijzer. Tussen Franeker en Harlingen kende iedereen hem, lopend achter de voddenkar, later met een autootje. De oude schoenen die hij opduikelde vertelden een verhaal: welk leven hoorde daarbij? Versleten kleding: welk leven werd daarin gesleten? Poppen: welk kind speelde daarmee?
  4. Welke prijzen ‘een Huisman’ doet, weet ik niet. Maar ik vermoed dat die geringer zijn dan die van Henk Helmantel, die nu in het Jopie Huisman Museum exposeert. Die kan ook goed stoffen schilderen en daar betalen de mensen dan graag voor. Over wat er in het Rijksmuseum hangt zal ik ’t maar niet hebben, over Helmantel trouwens ook niet. Ga maar naar ’t museum. En het schilderij ‘Vriendschap’ blijft in Workum. Men stuurt een ‘giclee’. Hoe duur een giclee is weet ik niet. Vast minder duur.  
  5. Kan iedereen meteen zien waar het schilderij over gaat? Ja. Of toch niet? Huisman arrangeerde deze compositie en wat hij erin zag weet geen mens. Heeft-ie gedacht aan een Fryske famke dat zo met haar poppen speelde? Kende hij haar? Haar omstandigheden? Wat doen die fuiken op het doek? Over vriendschap is oeverloos geouwehoerd sinds Montaigne daarmee begon. Met vriendschap als filosofisch concept, bedoel ik. Huisman kon ook filosoferen. ‘Ouwehoeren,’ noemde hij dat liever. Vriendschap zelf is iets anders.
  6. Het gaat niet om de vraag wat OESO is, maar om wat OESO doet. Dat ga ik vandaag uitzoeken.
  7. OESO zetelt in een oud kasteel in Parijs, Chateau de la Muette. Zo’n naam geeft te denken. Maar daar komt het dus te hangen, nou ja, de giclee. Van Friesland naar Frankrijk. Sommige wegen zijn ondoorgrondelijk.

       ∞ ‘Het laatste hemd heeft geen zakken,’ zei mijn moeder vaak aan het einde van haar lange leven.

          

Jopie Huisman, Roodbaaien hemd, 1975

Plaats een reactie