
foto koolmees Bart Heirweg
De zon wint al aan kracht. In het kraakheldere februari-licht probeerde ik de warmte op het balkon te vangen. Met een jas aan lukte dat, een half uurtje. Terwijl ik daar zo zat, mijn koffie gedronken, en mijn ogen alle bomen naar vogels afspeurden, hoorde ik vooral koolmezen. Af en toe zag ik ze ook, druk in de weer van parkrand naar dakterrassen vliegend. Nu al nesteldrang? Vogels kijken doe je met je oren, ik weet het, maar altijd zijn er dan weer gedachten die de ‘innige aanraking met de natuur’ verstieren.
Dat het roepen van een koolmees erg aan een fietspomp doet denken weet iedereen. Die beeldspraak is erg aardig. Maar hoe klonk een koolmees dan laten we zeggen vóór 1900? Mijn gedachten sprongen wild twee kanten op. De ene stroom denderde via Dunlop regelrecht het ravijn in van de zegeningen van de industriële revolutie – ik weet het, Jac. P. Thijsse propageerde de fiets al als hét burgervehikel om ‘natuursport’ te bedrijven, maar wat krijg je dan, en wat vindt de koolmees van de fatbike? – de andere stroom voerde mij naar de Metaforenfabriek van Douwe Draaisma. Die beschrijft hoe we in de loop der geschiedenis de werking van ons geheugen hebben begrepen, in beelden, van wastablet tot hardware. Of software, daar wil ik van af zijn want het is al weer een tijdje geleden dat ik ’t boek las. Beeldsprakerig maakte de titel mij ook zenuwachtig.
Ik probeerde te ontkomen aan de dwingelandij van mijn gedachten. En gewoon te genieten van de februarizon. Van welke ándere vogels kende ik nog een treffende vergelijking? De roerdomp, die was makkelijk: ‘als het blazen in een diepe fles’. Dit had ik zelf bedacht, ooit, nog vóór ik die beschrijving ergens tegenkwam. Maar: ‘als het uitrinkelen van een zilvermuntje op een tafelblad’? Was dat nou de groenling? Of de boomklever? Het werd me duidelijk dat ik er niet uit kwam. En een boomklever had hier ik al in tijden niet gezien of gehoord.
Een ander houvast in de wrede dwalingen van mijn geest waren dichtregels die de vogels wat minder precies uitdrukten, maar mijn ervaren beter rechtdeed. ‘Een bal vol vogelstemmen’, die de populieren elkaar dan toewierpen. Ik keek naar de populieren voor ons huis. Dit is het gedicht:
Februarizon
Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano’s.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.
De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.
Paul Rodenko, Podium, 1950
Maar populieren kunnen niet gooien. En koolmezen zitten niet in een opgepompte voetbal. Tóch een mooi gedicht. En mooie koolmezen.
Plaats een reactie