Geit Gods


Jan Mankes (1889-1920), Oude geit, 1912

Mijn smak uit de betoverende kunsten kon moeilijker hardhandiger. ‘Laten we het over de echte natuur hebben’? Ik? Welke dan?

Zit ik mij daar nog etherisch te verwonderen over Mankes’ prachtschilderij Oude Geit en mij af te vragen of de wereld al ontvankelijk zou zijn voor een sensitieve bezinging van die geit – iets met titel ‘Geit Gods’, een lofdicht in elf strofen, waarin ik een subtiel verband zou suggereren met dat altaarstuk van Jan van Eyck, waarop dat schaap zo ogendwingend natuurlijk is afgebeeld, nee, een mak lammetje is het geenszins, en o ja, ook nog Madonna in de Kerk, omdat het licht daar net zo hemels nederdaalt als op Mankes’ picturale vereeuwiging van die geit achter zijn huis, die niet naar de slachtbank hoefde geleid, of op het altaar geofferd, en daar mocht verblijven, en stierf, gewoon van ouderdom, en de begaafde zoon van de alles opmerkende vader die met die levende have alleen uit goeiïgheidheid en tijdverdrijf was begonnen, wetende dat het gevoelige hart van zijn tuberculeuze zoon zou resoneren en dat zijn kunstzinnige hand het dier zou doen opstaan, en deze zoon schílderde het dier, 23 jaar oud, staande voor een eenvoudig Fries tuinhek, dat toch ook een poort is naar paradijselijke oorden, althans, een streek waar geen geween is, of knersing der tanden, zodat deze onaanzienlijke geit ons nu uit de oneindigheid aankijkt en óns hart raakt, ja óns, want wij waren met velen die zich daar voor dat schilderij opstelden, een menigte vormden wij, grijzend de meesten, sommigen al wit als het wit van die eenvoudigste geit aller geiten, niet al te best ter been, maar aangedaan, en geroerd, en gegrepen, en elkaar met gekromde vinger wijzend op de poort die men kon horen knarsen in de scharnieren, en die toegang gaf tot die Andere Poort, zie de eiken! en uit die menigte zou een beweging kunnen groeien, met eendrachtigheid, wat Goede Wil en Kapitaalkracht een Beweging, met een stem die anderen die de Oude Geit nog niet hadden aanschouwd zou bewegen, trillend eerst, maar allengs luider, en met grote stem en die zou donderen, Vooruit met de Geit! – komt me daar opeens het bericht binnenmekkeren

dat geit 11946, alsmede alle nummers die daaraan voorafgaan of die daarop volgen, tot aan een getal van om ende nabij de half miljoen, geitelijk verantwoordelijk gehouden moet worden voor het ziek worden der omwonenden in Brabant en in de Gelderse Vallei. Zulks ten gevolge van bacteriële besmetting. Zoönose. De RIVM heeft het eindelijk uitgeplozen. Getroffenen geraken aangetast in hun luchtwegen. De dood kan erop volgen. Dat is niet best.

Nee, met dat gedicht wordt het vandaag niks.

Eén reactie op “Geit Gods”

  1. mortallydeerd80ab36fec Avatar
    mortallydeerd80ab36fec

    En met die geit is het, God lof, beter afgelopen dan met het Lam Gods …

    Like

Plaats een reactie