Ziel


Jan Mankes (1889-1920) Zelfportret met uil (1911), voor en na de restauratie

Mankes zelfportret uit 1911 wordt gezien als zijn meesterwerk. Ter voorbereiding op de grote tentoonstelling in Arnhem en Belvédère is het onder handen genomen: de tijd was erin gaan zitten. Zou het Mankes bevallen?

Beviel het hem in 1911? Hij schilderde daarna nog méér zelfportretten, meer dan twintig tel ik in de oeuvrecatalogus. Was hij toch niet tevreden? Schilder de ziel der dingen maar eens. Schilder je eigen ziel maar eens. Wat je overhoudt is ‘een brokkie linnen met verf.’ En ook daar gaat de tijd in zitten.

Vaak wordt het portret uit 1911 in verband gebracht met wat Mankes in het Mauritshuis heeft zien hangen en wat hem bekoorde: de portretten van Hans Holbein. Ogenschijnlijk is de overeenkomst treffend, vooral die met dat portret van een 28-jarige edelman met een havik. Ook hij kijkt je frontaal aan. 1542 is het dan. Maar we hebben geen idee wie die man is. Ook niet wie Holbein in die edelman zag. En al helemaal niet wat Mankes daarin zag. Aanzien is betrekkelijk. Niets is bestendig.

Holbein portretteerde de halve entourage van Henry VIII. Dat was geen lieverdje. Edellieden hadden rekening te houden met diens luimen, Holbein met die van hem en hún luimen. Wat was zijn speelruimte voor een gelijkend portret? En wat is ‘goed gelijkend’? De status?

Alleen al het gegeven dat die lieden Holbein voor een portret konden ontbieden zegt iets over hun positie. Overlegde Holbein met de te portretteren hoveling over welke vogel het hem schikte vereeuwigd te worden? Of drukte die uitsluitend de plek in de adellijke pikorde uit?

Op dat andere portret in het Mauritshuis staat een edelman met een slechtvalk afgebeeld, het kan ook een giervalk zijn. Maar dat was dan ook de grootvalkenier Robert Cheeseman. Zijn naam kennen we nog wel omdat Holbein die gewoon op het paneel schilderde. Al geeft hij meer aanwijzingen die aangeven dat het een uiterst invloedrijk iemand betrof. Probeerde Holbein de psychologie van Cheeseman in diens precaire positie in verf te vangen? En, alweer, wat zag Mankes?

Mankes kiest voor zijn zelfportret voor een kerkuil. Dat is geen vogel voor de valkerij, zullen we maar zeggen. Die uil kijkt ons recht aan, net als hijzelf. De stoel suggereert huiselijke intimiteit. Je kunt je in je ziel geraakt voelen. Wat is dan die ziel?

Ooit, in een ander leven, schreef ik bij Holbein ’s portret van Cheeseman de volgende tekst, een prozagedicht. Een portret. Een zelfportret in taal misschien, al kan dat natuurlijk niet. Ik dacht het toen wel gezegd te hebben. Dat is mij nu niet meer zo duidelijk.

Hans Holbein (1497-1543) , Portret van Robert Cheeseman, 1533

De jager, de gejaagde

Zijn scherpe linkeroog ziet iets dat ons ontgaat. Hoe ver ook op de horizon, niets ontglipt zijn aandacht, ontkomt de vastheid van zijn blik. Er ligt een droefheid rond zijn gelaat, een geheime gevoeligheid die de misprijzende trek rond zijn mond vergeefs verbergt. Door geboorte veroordeeld tot het hof draagt hij de tekenen van zijn waardigheid, als  raadsman en als rechter, maar onder zijn met bont afgezette mantel schittert wit zijn wijde boerenhemd, dat, hoe kostbaar ook, zijn eenvoudig hart verraadt. 

Liever is hij buiten, in de velden, dwalend langs de bomenrijen die de akkers omzomen,  langs de rivier die door de heuvelen van zijn streek de zee zoekt, in de wind die zijn wangen doet gloeien, eender van vanwaar die waait. Hij leest de weg der wolken, die nu eens hier, dan weer daar het landschap beurtelings omschaduwen of verlichten. Hij gaat door de seizoenen. Peregrinus, reiziger weet hij zich, en in de onbestendigheid van het leven, vaart hij op zijn vermogen zijn eigen bestendigheid te bewaren.

Zijn linkerarm is krachtig, en gewend zonder aarzeling macht uit te oefenen, maar ook vol ontzag voor de dodelijke greep van de valk die hij op de leren handschoen meevoert, ook als deze snelste aller vogels door een huif rustig wordt gehouden. 

Zijn rechterhand is onbedekt, vlak bij de vlijmscherpe snavel die moeiteloos vanuit duizelingwekkende hoogte een duif uit de lucht slaat – de toppen van zijn vingers raken oneindig zacht de veertjes van de brede valkenborst

Plaats een reactie