Ontzag


Jan Mankes (1889-1920), Avondschemering (Woudsterweg), 1915

’t Is februari. Natuurlijk is het februari geworden, zo gaat dat. Gisteren zagen we in de namiddag de zon in een heldere lucht ondergaan in het zuidwesten, achter de bomen van het park. Er was een wonderlijke gloed boven de donkerende aarde. En niet veel later kwam de wassende maan. Eerst door de hoge populieren voor ons huis, later achter de parkrand, alsof die de zon met een nagekomen bericht volgde. De lucht was nog lang doorschijnend blauw zoals het alleen in februari kan zijn. Zó moet Mankes het gezien hebben toen hij in eenzelfde februari-namiddag zijn huis uitliep, naar de Woudsterweg, richting ‘het woud’ zoals hij Oranjewoud noemde. Alleen, of met de jonge geliefde die zijn vrouw zou worden. In deze eerste maanden van 1915 schilderde hij aan zijn beleving van dat landschap. Een innerlijk landschap.

In de zomer van 1914 was de wereld in de fik geraakt. Wie wil weten hoe het een andere schilder verging leze het middelste hoofdstuk van Stefan Hertmans’ Oorlog en terpentijn (2013). De soldaten die grappend en elkaar op de schouder kloppend de oorlog in togen, vierden Weinachten niet thuis. In 1918 bleek er niks meer te vieren. Het is wrang te bedenken dat ene Adolf in hetzelfde jaar als Mankes geboren werd, in 1889. Wat drong van de machtige woelingen van de tijd rond 1900 tot Mankes door?

Er zijn brieven van Mankes bewaard gebleven. Mij treft het dat Mankes furieus wordt als hij zijn aanstaande vanaf de kansel van het Doopsgezinde kerkje in de Knipe hoort verkondigen dat Nederland zich moet wapenen. Zijn pacifistische overtuiging dat dat met god niks te maken heeft zit zo diep dat zijn aarzelende relatie met Anne op scherp komt te staan. ‘God’? of ‘god’? Ook dat is een strijdpunt maar ’t eindigt ermee dat Anne Zernike dóór Mankes dit schrijft: “Buiten de kerk, in de kunst en in het maatschappelijk leven, zal de nieuwe godsvoorstelling misschien eerder ontstaan dan in de kerk.” Zij had toen al een schilderij van Mankes in handen gehad. En beseft ‘welke fonkelende schoonheid’ daarin school.

Mankes theoretiseert niet. Hoe lees je brieven die niet voor jou bestemd zijn? Maar dromerig of naief vind ik het allemaal niet. Nu komt er misschien straks een of andere kunstkenner beweren dat het schilderij Oude geit uit oktober 1912 in essentie Mankes’ Lam Gods is maar mij is het genoeg te zien hoe Mankes het beest uit z’n ogen laat kijken. Al die andere geiten. En alle andere dieren en diertjes. Kijk naar het pas gerestaureerde zelfportret met kerkuil uit 1911. Zie die ogen.

Het is verleidelijk om de figuren op die bomenschilderijen uit 1915 met Mankes zelf en zijn geliefde te identificeren. En er dan een sentimenteel verhaaltje over op te hangen. Maar waarom dan zo klein in dat zo grote landschap? Waarom dan die onmogelijk hoge bomen? Dat Mankes verrekte goed wist hoe zijn geliefde eruit zag, én haar kon schilderen, blijkt uit het portret van haar uit 1916. Of dat uit 1918. Zeg maar eens dat het geen liefde is. Mankes schíldert geen liefde, die liefde ís er. En daarom schildert hij.

Die bomen zijn zo hoog omdat Mankes ze zo ontzagwekkend vond. De kleine beesten schildert hij zo groot omdat hij die zo ontzagwekkend vond. Kijk naar die vogels in de avondschemering bij de Woudsterweg. Mankes heeft ze horen roepen toen hij daar dwaalde, ganzen misschien, opgeschrikt.

Het water weerspiegelt de luchten erboven. Luister naar de ganzen die overvliegen in het februari-avondlicht. En bedenk dan eens hoe dat uit te drukken.

Plaats een reactie