Eeuwigheid


Jan Mankes (1889-1920), Bomenrij (1915)

Om over Jan Mankes iets schrijven is het nog te vroeg. Ook al goed. De bomen kunnen wachten. De eiken langs de Woudsterweg bij Oranjewoud die Mankes in 1915 verschillende keren schilderde zijn allang gekapt. Ze zijn er nog omdat hij ze de hemel in schilderde. Zeg daar maar eens iets zinnigs over. Tijd zat. De eeuwigheid duurt nog even.

Weken lang had ik mij al zitten verheugen op de dubbeltentoonstelling. We zouden het in één dag doen, èn Belvédère, èn Arnhem, wat menselijk gesproken gerust een uitdaging mag heten. Maar toen wij woensdag ter hoogte van de Knardijk in Flevoland reden, werd mij de omvang van mijn waanzin pas goed duidelijk. De Tong was weg.

Ik kauwde nog op mijn dinsdagelijkse verwensing van de wethouders in dit land, die zoveel verkeerds in dit land verrichten. Olifanten in de porseleinkast, dacht ik gemelijk, toen we de ellendige stad Almere eindelijk waren gepasseerd. Daar staan de olifanten van Tom Claassen voorwereldlijk te grazen, maar dat is weer een ander verhaal. Van zoveel narrigheid komt maar narigheid, hield ik mijzelf voor, van vriendelijkheid komt vrede. En om mijzelf tot kalmte te brengen vroeg ik mij af of groen van het koperen gevaarte van Rudi van de Wint daar op die dijk nu net zo groen was als het groen dat Mankes voor zijn luchten op die drie schilderijen had gebruikt. Dat heb ik namelijk altijd gedacht. Maar de Tong was weg.

Natuurlijk was de Tong (van Lucifer) weg. Het is zelfs op het Journaal geweest. De sculptuur was dermate onttakeld dat men zich tot algehele verwijdering genoodzaakt zag. Men? Ik verdenk persoonlijk de Provinciale Staten van Flevoland. Die hadden al veel langer geprotesteerd tegen de titel, die Van de Wint enkel uit balorigheid aan zijn creatie had gegeven. Zo iemand, dan Van de Wint die uit ondervinding genoeg redenen had om in opstand te komen tegen burgerlijke bekrompenheid. Maar het waren natuurlijk gewone koperdieven, hardwerkende sappelaars die ook een gezin hebben te onderhouden. Het lot van dit alles, kunstwerk en alle betrokkenen, is nog onbeslist.

Deze absurde geschiedenis dwarrelde mij nog door het hoofd toen wij Belvédère betraden. Toen ik de drie bomenrijen van Mankes voor het eerst naast elkaar zag hangen – dat is nog nooit gebeurd, behalve misschien in de eerste twee maanden van het jaar 1915, het tweede oorlogsjaar, toen Mankes ze net af had, hij zal ze toen toch aan zijn toekomstige vrouw Anne Zernike hebben laten zien, ze zouden die zomer nog trouwen, van zijn slopende ziekte was nog niets te merken, er lag een eeuwigheid vóór hen – had ik wel iets anders aan mijn hoofd dan groen met groen te vergelijken.

Die bomenrij. Die eeuwigheid.

Plaats een reactie