De profundis


[Gemaal De Poel, Waterlandse Zeedijk]

We fietsten over de oude zeedijk naar Monnickendam. De wind was guurder dan voorzien  en we waren blij hem het laatste stuk even in de rug te hebben. De hele weg hadden wij ertegenin getornd en bij iedere trap maalden Adorno ’s woorden door mij heen, „Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch”. We hadden op de tv naar beelden van de Holocaust Herdenking gekeken, zodoende.

Van gedachten komen woorden, van woorden komen overtuigingen, van overtuigingen komen daden. Zo ongeveer had een der sprekers een eeuwenoud joods inzicht geparafraseerd. Hij had zorg om deze tijd.

Over wat Adorno nu precies bedoelde zijn de meningen erg verdeeld. Dat krijg je met absolute uitspraken. Het ‘Nooit weer’ klinkt ook steeds bitterder. O ja? verbeet ik grimmig, en Gaza dan? En Oekraïne? Het gevolg van een gedicht?

Bij gemaal De Poel weet ik een indrukwekkend gedicht van Ida Gerhardt op de noordmuur:

     DE PROFUNDIS

Hadden wij nimmer nog zwanen gezien, 

zòuden wij hen op het water ontwaren, 

o, wij zouden van vreugde vervaren –

lachen en schreien misschien.

Hadden wij nimmer nog zwanen gezien, 

vlogen zij òver met ruisende slagen, 

o, wij zouden dit duister verjagen –

eindelijk bevrijd zijn misschien.

Ida Gerhardt (1905-1997), Het sterreschip, 1979

Ik overdacht de slotregels. Niet de zwanen verjagen het duister, maar ‘wij’. Vanuit haar eigen diepte vertelt Gerhardt er niet bij hoe. Ook de bevrijding is maar ‘misschien’. De profundis.

In de hele Gouwzee ontwaarden wij geen zwanen, ofschoon wij ze daar vaak hadden gezien. Wel dobberden er in de beschutting duizenden en duizenden smienten. Ze zwegen in de wind; geen hoorde ik fluiten. En ik dacht aan de brileider bij Texel, hoe alleen die daar nu was. En of die ooit nog thuis zou geraken.

Plaats een reactie