
[Coral Woodbury, Awakening (2024)]
Bij de haiku van gisteren had ik vaag ’t idee dat er iets anders resoneerde. Het onderwerp is duidelijk, kijk maar naar M e r e l a a r, waar ik het eerder over had. Ik echo mijzelf. Mijn onderwerpskeuze is beperkt – dit zie ik duidelijk in. Ik voel me betrapt.
Maar waarom dan die lullige zelfverklaring? Een identitaire crisis? Ik maak het niet mooier dan het is: bij zoveel vertoon van superieure masculiniteit in deze wereld (denk maar aan al dat wapengekletter, letterlijk en figuurlijk) had ik behoefte aan een ferm antwoord vanuit heel andere hoek. Het contrast met de X Decreten van afgelopen maandag kan moeilijk groter zijn – ik weet heus wel hoe je het duivelse spel van de polarisatie speelt. Nou, daar zullen die testosteron aangejaagde mannetjes wel van schrikken!
Kom kom, zo naief ben ik nu ook weer niet. Behalve mijn persoonlijke ontroering moest er iets anders meetrillen. Had ’t dan met de vorm te maken? Ik aan ’t zoeken in mijn haikubundels. En ja hoor, na een middag ijverig bladeren vond ik deze van Bashō:
Ik ben zo’n soort man,
die graag zit te ontbijten
naast morgenglories
Die moet ik jaren geleden al eens onder ogen gehad hebben want hij stond in de haikubundel van J. van Tooren, Een jonge maan (1973). Zoiets kan een leven lang meezingen, zodat je op ’t laatst denkt dat het van jezelf is. Ik noem deze onvolprezen bloemlezing even met nadruk, zodat iedereen zelf kan vaststellen dat mijn eventuele aanspraak op oorspronkelijkheid nergens op slaat.
Ik heb daarna ook de zeergeleerde bundel van Jos Vos nog zitten doorspitten, Matsuo Bashō, Verzamelde haiku’s (Amsterdam 2023) om te zien of daar misschien nog wat achtergrondinformatie te vinden was. Eigenlijk hoopte ik op een smeuïge anekdote, die ik vervolgens dan met smaak weer zou kunnen opdissen. Iets in de trant van: Bashō was gewoon bij het ontbijt liters sake achterover te kieperen. Vandaar ‘morgenglorie’. Denk maar aan Kloos die zeer aangedaan verklaarde dat de natuur zoiets moois was: ‘maar je moet er wel iets bij te drinken hebben.’ ’t Kan ook Bloem geweest zijn. Enfin, bij Vos vond ik niks, ook niks over morgenglories. Of de allegorische allusies van het 17e eeuws Japan.
Terwijl ik zo aan het grasduinen was en het vraagstuk van de natuurlijke resonans bepeinsde, kwam gistermiddag het bericht binnen dat de Staat nu als de bliksem iets aan het stikstofprobleem moet doen. In verband met de merels vond ik dat van belang. Het verband tussen stikstofdepositie en de teloorgang van de natuur ga ik niet uitleggen. Maar wat gebeurt er toch als ik een merel hoor zingen? Waarom op voor dag en dauw? Wat resoneert er dan toch in de natuur? Wat resoneert er in de mijne?
Ook vanmorgen heb ik hier nog geen merel gehoord. Ja, zijn alarmroep. Het is nu licht en ik ben klaarwakker. Aan de drank ben ik niet.
Plaats een reactie