
Wad
Hij leunt met meeuwen op de wind.
Met wulpen fluit hij liederen
de nachten door; tussen de wolken
goochelt hij met golven licht.
Lichtzinnig schept hij overvloed
de hemel uit en rimpelt met het zand.
Hij scharrelt met de krabbetjes
en ligt bemosseld als het strand.
Hij waaiert met plevieren
en plooit met horizonnen;
hij murmelt ebbelijnen voor
en moermelt met de vissen.
Hier rust hij met de wateren
en deint met het getij
dat heel en al bevat.
Hier waart en wemelt hij
en mijmert zomaar wat:
de Alom-Onbegonnene.
Plaats een reactie